Jaren 0, 12e eeuw


In 6609 (1101) overleed Vseslav, vorst van Polock, op woensdag 14 april om 9 uur ’s ochtends. In hetzelfde jaar trof Jaroslav, zoon van Jaropolk, in Berestje voorbereidingen voor een oorlog. Svjatopolk trok tegen hem op en verraste hem bij een aanval op de stad. Hij nam hem gevangen, sloeg hem in de boeien en bracht hem naar Kiëv. De metropoliet en igumens deden voorspraak voor hem en wisten Svjatopolk met hun smeekbeden te vermurwen. Ze brachten hem naar de graven van de Heilige Boris en Gleb, namen hem zijn boeien af en lieten hem vrij. In hetzelfde jaar kwamen alle broeders bijeen aan de Zolot¹a: Svjatopolk, Vladimir, David, Oleg en hun broer Jaroslav. En de Polovcen stuurden uit naam van alle vorsten gezanten naar de verzamelde broeders en vroegen om vrede. De Russische vorsten antwoordden hun: “Wanneer jullie vrede willen, laten we dan bij Sakov bijeenkomen.” Ze ontboden de Polovcen en ze kwamen bijeen bij Sakov. Op 15 september sloten ze vrede met de Polovcen, wisselden gijzelaars uit en gingen daarna uiteen.

In 6610 (1102). Jaroslav, zoon van Jaropolk, vluchtte op 1 oktober uit Kiëv. Aan het einde van die maand lokte Svjatopolks zoon Jaroslav  Jaropolks zoon Jaroslav in een hinderlaag, nam hem aan de Nura gevangen en voerde hem naar zijn vader, waar ze hem in de boeien sloegen. Op 20 december van dat jaar kwam Vladimirs zoon Mstislav met krijgers uit Novgorod. Want Svjatopolk had een overeenkomst met Vladimir dat Novgorod van Svjatopolk zou zijn en hij zijn zoon daar zou aanstellen en dat Vladimir zijn zoon in Vladimir zou installeren. Mstislav kwam in Kiëv aan en nam zijn intrek in een huis. De mannen van Vladimir zeiden: “Zie, Vladimir heeft zijn zoon gestuurd en bij hem zitten de mannen van Novgorod. Laten ze jouw zoon meenemen en naar Novgorod gaan en laat Mstislav naar Vladimir gaan.” De Novgoroders zeiden tegen Svjatopolk: “Zie, vorst, wij zijn naar jou gestuurd en men zei ons het volgende: we willen noch Svjatopolk, noch zijn zoon. Als je zoon twee hoofden heeft, stuur hem dan. Deze (Mstislav) echter heeft Vsevolod ons gegeven en voor onszelf hebben we hem als vorst grootgebracht, terwijl jij van ons bent weggegaan.” Svjatopolk twistte lang met hen, maar omdat ze niet wilden toegeven, namen ze Mstislav weer mee en keerden terug naar Novgorod. In hetzelfde jaar was er op 29 januari een teken aan de hemel, gedurende drie dagen, als een vuurgloed vanuit het oosten, zuiden, westen en noorden en het licht scheen de hele nacht als was het volle maan.Op 5 februari van dat jaar was er een teken in de maan. Op de zevende van die maand was er een teken in de zon; de zon was omgeven met drie bogen en er waren andere bogen die met de buitenkant naar elkaar toe waren gekeerd. En toen ze deze tekens zagen baden de vrome mensen met zuchten en tranen tot God dat hij deze tekens ten goede zou keren; want van deze tekens duiden sommige op het kwade, andere op het goede. Het jaar daarop blies God de Russische vorsten een goede gedachte in: ze vatten het plan op de Polovcen aan te vallen en hun land binnen te vallen, wat ook geschiedde, zoals we zullen vertellen onder het volgende jaar. In datzelfde jaar op 11 augustus overleed Jaroslav, zoon van Jaropolk. Op 16 november van dat jaar werd Sbyslava, dochter van Svjatopolk, naar Lechenland gebracht om in het huwelijk te treden met Boleslav[1].

In 6611 (1103). God inspireerde de Russische vorsten Svjatopolk en Vladimir en ze ontmoetten elkaar bij Dolobsk om te overleggen. En Svjatopolk met zijn druûina en Vladimir met de zijne zaten in één tent. De mannen van Svjatopolks druûina begonnen de discussie en zeiden: “Nu in de lente is het niet de geschikte tijd om ten strijde te trekken, we zullen de boeren en hun velden ruïneren.” Vladimir zei: “Het verbaast me, druûina, dat jullie medelijden hebben met de paarden waarmee men ploegt; maar waarom bedenken jullie je niet dat de boer begint met ploegen en daar komt de Polovec aangereden om hem met een pijl te treffen; deze neemt zijn paard in, rijdt naar zijn dorp en neemt zijn vrouw, kinderen en al zijn bezittingen in bezit. Dus jullie hebben medelijden met het paard, maar niet met hem zelf?” Svjatopolks druûina was niet in staat om te antwoorden. En Svjatopolk zei: “Zie, ik ben al paraat.”  Svjatopolk stond op en Vladimir sprak tot hem: “Hiermee, broeder, zul je een grote gunst bewijzen aan het Russische land.” En ze stuurden bodes naar Oleg en David met de woorden: “Trekken jullie ten strijde tegen de Polovcen, want we zullen leven of sterven .” David gaf hier gehoor aan, maar Oleg wilde niet en gaf als reden op dat hij niet gezond was. Vladimir kuste zijn broer en trok naar Perejaslavl’. Svjatopolk volgde hem evenals David Svjatoslavi¹, David Vseslavi¹, Mstislav, kleinzoon van Igor’, Vja¹eslav, zoon van Jaropolk en Jaropolk Vladimiri¹. Ze trokken op te paard en in boten, kwamen aan onder de stroomversnelling (van de Dnepr) en hielden halt bij de cataracten bij het eiland Chortica. Ze stegen te paard, trokken nadat het voetvolk ontscheept was vier dagen door de steppe en arriveerden bij Suten’. Maar de Polovcen, die hadden gehoord dat Rus’ tegen hen optrok, verzamelden zich groten getale en begonnen te beraadslagen. Urusoba sprak: “Laten we Rus’om vrede vragen, omdat ze hevig strijd zullen leveren met ons; we hebben immers het Russische land veel kwaad berokkend.” De jongeren zeiden tegen Urusoba: “Jij mag dan bang zijn voor Rus’, wij zijn echter niet bang. Nadat we hen gedood hebben, trekken we hun land binnen en nemen hun steden in en wie zal hen dan van ons bevrijden?” De Russische vorsten en manschappen baden tot God en deden geloften aan God en zijn moeder, sommigen beloofden kut’ja[2], anderen aalmoezen aan de armen en weer anderen schenkingen aan kloosters. En terwijl zij zo aan het bidden waren, trokken de Polovcen op en stuurden Altunopa, die bij hen geroemd werd vanwege zijn dapperheid, voor zich uit. Zo ook stuurden de Russische vorsten hun voorhoede. De Russische voorhoede wachtte Altunopa op, omsingelde hem en doodde Altunopa en zijn medestrijders; niet één werd er gered, allen werden gedood. En de legerscharen van de Polovcen rukten op als een dennenbos en men kon ze niet met één oogopslag overzien; Rus’ trok hen tegemoet. En God boezemde de Polovcen grote vrees in en zij werden overvallen door angst en siddering bij de aanblik van de Russische krijgers en zelf  liepen ze als verlamd rond en hun paarden hadden geen snelheid meer in de benen. De onzen, deels te paard, deels te voet, trokken hen echter met vreugde tegemoet. Toen de Polovcen de onstuimige opmars van de Russen zagen, sloegen ze zonder de aanval af te wachten voor de Russische troepen op de vlucht. De onzen joegen echter achter hen aan en sloegen ze neer. Op 4 april verrichtte God een grote redding en schonk hij een grote overwinning op onze vijanden. In deze veldtocht werden twintig Polovcische vorsten gedood: Urusoba, K¹ij, Arslanapa, Kitanopa, Kuman, Asup, Kurtok, enegrepa, Surbar’ en andere vorsten van hen. Beldjuz’ werd gevangen genomen. Nadat ze hun vijanden overwonnen hadden gingen de broeders zich zitten en werd Beldyuz’ bij Svjatopolk gebracht. Beldyuz’ begon voor zichzelf goud, zilver, paarden en vee aan te bieden. Svjatopolk stuurde hem echter naar Vladimir. Toen hij gekomen was, begon Vladimir hem te bevragen: “Besef dat de eed jullie duur te staan is gekomen. Want hoewel jullie meerdere malen een eed hebben afgelegd, hebben jullie toch oorlog gevoerd tegen het land van Rus’. Waarom heb je je zoons en je familie niet geïnstrueerd de eed niet te breken, maar hebben jullie christenbloed vergoten? Laat je bloed over je hoofd komen.” En hij beval hem te doden en zo hakten ze hem in stukken. Hierna kwamen de broeders bijeen en Vladimir sprak: “Dit is de dag die de Heer gemaakt heeft; laten we ons op deze dag verheugen en vrolijk zijn, omdat de Heer ons heeft bevrijd van onze vijanden en hen heeft onderworpen en Gij hebt de koppen van de slangen verpletterd en als voedsel gegeven aan het volk van Rus.” Want toen namen ze het vee en de schapen, de paarden, de kamelen en de tenten met toebehoren en slaven in bezit en ook namen ze Pe¹enegen en Torken gevangen en hun tenten maakten ze buit. Ze keerden naar Rus’ terug met een enorme buit, met roem en en een grote overwinning. Op 1 augustus van datzelfde jaar kwamen er sprinhanen. Op de 18de van die maand kwam Svjatopolk en bouwde de stad Jur’jev weer op, die door de Polovcen in brand was gestoken. Op 4 maart van dat jaar vocht Jaroslav met de Mordvinen en werd verslagen.

In 6612 (1104). De dochter van Volodar’ werd op 20 juli uitgehuwelijkt aan de zoon van keizer Alexios in Cesar’grad (Konstantinopel). Op 21 augustus van dat jaar werd Peredslava, de dochter van Svjatopolk naar Hongarije gebracht om te trouwen met de zoon van de koning. Op 6 december dat jaar kwam metropoliet Nikephoros naar Rus’. Op de 13de van die maand overleed Vja¹eslav, zoon van Jaropolk. Op de 18de van die maand werd Nikephoros op zijn troon geïnstalleerd. Het volgende zullen we nog vertellen: toen dat jaar ten einde liep, zond Svjatopolk Putjata ten strijde tegen Minsk; Vladimir stuurde zijn zoon Jaropolk en Oleg trok, in gezelschap van David Vseslavi¹, zelf ten strijde tegen Gleb (in Minsk). Maar ze behaalden geen succes en keerden terug. Bij Svjatopolk werd een zoon geboren en ze noemden hem Brja¹islav. In dat jaar was er een teken: de zon stond in een cirkel, met in het midden van de cirkel een kruis en in het midden van het kruis de zon; en buiten de cirkel stonden aan beide zijden twee zonnen en boven de zon buiten de cirkel een (regen)boog met de uiteinden naar het Noorden wijzend; op dezelfde wijze was er een dergelijk teken bij de maan, op 4, 5 en 6 februari; (bij de zon) gedurende drie dagen overdag en bij de maan ’s nachts gedurende drie nachten.

In 6613 (1105). De metropoliet stelde bisschop Amfilochij aan in Vladimir op 27 augustus. Op 12 november van dat jaar stelde hij Lazar’ aan in Perejaslavl’. Op 13 december van dat jaar benoemde hij Mina in Polock.

In 6614 (1106). De Polovcen hielden rooftochten bij Zare¹sk en Svjatopolk stuurde Jan’ en Ivan Zakhari¹, de Chazaar, achter hen aan; en ze verjoegen de Polovcen en namen hun buit af. In dat jaar overleed Jan’[3], de goedhartige grijsaard, op de gezegende leeftijd van 90 jaar; hij had geleefd volgens de goddelijke wet en deed niet onder voor de eerste rechtvaardigen. Van hem vernam ik ook veel woorden, die ik in deze kroniek optekende; maar van hem heb ik ze gehoord. Want het was een goede, zachtmoedige en deemoedige man die zich allerlei dingen ontzegde en zijn graf bevindt zich is in het Holenklooster, in het voorportaal, waar men zijn lichaam heeft bijgezet op 24 juni. In hetzelfde jaar op 6 december werd Eupraxia, de dochter van Vsevolod, als non ingekleed. In dat jaar ook vluchtte Izbygniev naar Svjatopolk. Op 17 februari van dat jaar werd Svjatoslav, zoon van David en kleinzoon van Svjatoslav, als monnik gewijd. In hetzelfde jaar overwonnen de Zemgallen[4] de zoons van Vseslav, alle broers, en 9000 man van hun druûina.

In 6615 (1107). (Eerste jaar van?) indictie, 4de jaar van de maancyclus, 8e jaar van de zonnecyclus. Op 7 mei van dat jaar overleed de echtgenote van Vladimir. In diezelfde maand hield Bonjak een rooftocht en maakte paarden buit bij Perejaslavl’. In dat jaar kwamen Bonjak, de oude žarukan en vele andere vorsten en sloegen het beleg voor Luben[5]. Svjatopolk, Vladimir, Oleg, Svjatoslav, Mstislav, Vja¹eslav en Jaropolk trokken op tegen de Polovcen in de richting van Luben. Om zes uur in de middag staken ze wadend de Sula over en begonnen tegen hen te schreeuwen. De Polovcen raakten in ontzetting en van angst waren ze niet in staat hun standaard neer te zetten maar vluchtten, terwijl sommigen hun paarden grepen en anderen te voet vluchtten. De onzen echter begonnen op ze in te slaan, hen opjagend, en anderen met de handen vast te grijpen en ze joegen ze voort tot de Chorol. Ze doodden Taz, de broer van Bonjak, en namen Surg en zijn broer gevangen. žarukan ontkwam ternauwernood. Ze ontvluchtten hun kamp, dat de Russische krijgers op 12 augustus innamen. Zij keerden naar huis terug met een grote overwinning. Svjatopolk kwam voor de ochtendmis naar het Holenklooster op de Ontslapenis van de Heilige Moeder Gods en de broeders kusten hem met grote vreugde en zeiden dat onze vijanden overwonnen waren door de gebeden van de Heilige Moeder Gods en van onze heilige vader Feodosij. Want Svjatopolk had de volgende gewoonte: als hij ten oorlog trok of naar elders, dan boog hij eerst voor het graf van Feodosij, ontving een gebed  van de abt die daar was en ging dan pas op weg. Op 4 januari van dat jaar overleed de vorstin, de moeder van Svjatopolk. In dat jaar, in dezelfde maand, gingen Vladimir, David en Oleg naar Ajepa en naar de andere Ajepa en sloten vrede. En op 12 januari nam Vladimir Ajepa’s dochter, de kleindochter van Osen, (als vrouw) voor zijn zoon en nam Oleg de dochter van Ajepa, de kleindochter van Girgen, voor zijn zoon. En op 5 februari was er ’s nachts, vóór het ochtendgloren, een aardbeving.

In 6616 (1108). Op 11 juli werd de kerk van de Heilige Michail,  met de gouden koepel, gesticht door vorst Svjatopolk. En de refter van het Holenklooster werd voltooid onder igumen Feoktist. Deze had in opdracht van Gleb, die de middelen verschafte, een begin laten maken met de bouw. In dat jaar was er hoog water in de Dnepr, de Desna en de Pripet. In dat jaar gaf God Feoktist, de abt van het Holenklooster, in dat hij vorst Svjatopolk zou voorstellen   Feodosij op te nemen in het synodikon[6]. Hij verheugde zich, beloofde het, deed het en droeg  de metropoliet op hem in te schrijven in het synodikon. En hij droeg alle bisdommen op hem op te nemen en hem bij alle kerkvergaderingen te gedenken en alle bisschoppen schreven hem met vreugde in. Op 11 juli van dat jaar overleed Katerina, de dochter van Vsevolod. In dat jaar voltooide men de koepel van de kerk van de Heilige Moeder Gods op de Klov, die was gesticht door Stefan, abt van het Holenklooster.

In 6617 (1109). Op 10 juli overleed Evpraxia, dochter van Vsevolod, en werd bijgezet in het Holenklooster bij de deur aan de zuidzijde. En men richtte boven haar een kapel in, waar haar lichaam ligt. Op 2 december van dat jaar nam Dmitr, zoon van Ivor, bij de Don tenten van de Polovcen in bezit.


[1] De Poolse koning Boleslav III.

[2] Rituele spijs van gekookte rijst of grutten, bereid met honing en rozijnen. Wordt gegeten bij begrafenismaal en met Kerstmis.

[3] Legeraanvoerder van Kiëv, zoon van Vyëata, stadhouder van Novgorod.

[4] Baltische stam, verwant aan de Letten.

[5] Stad aan de rechteroever van de Sula, in het gebied van Perejaslavl’.

[6] Boek met de namen van overledenen die tijdens de liturgie herdacht worden.

Start ] inleiding ] jaren 30 - 11e eeuw ] jaren 40 - 11e eeuw ] jaren 50 - 11e eeuw ] jaren 60 - 11e eeuw ] jaren 70 - 11e eeuw ] jaren 80 - 11e eeuw ] jaren 90 - 11e eeuw ] [ jaren 00 - 12 eeuw ] jaren 10 - 12e eeuw ]

 

Start
inleiding
jaren 30 - 11e eeuw
jaren 40 - 11e eeuw
jaren 50 - 11e eeuw
jaren 60 - 11e eeuw
jaren 70 - 11e eeuw
jaren 80 - 11e eeuw
jaren 90 - 11e eeuw
jaren 00 - 12 eeuw
jaren 10 - 12e eeuw