Jaren 10, 12e eeuw

In 6618 (1110). Svjatopolk, Vladimir en David trokken in de lente tegen de Polovcen op. Toen ze Voin’ bereikt hadden, keerden ze terug. Op 11 februari in dat jaar was er een teken in het Holenklooster: er verscheen een vuurzuil van de aarde tot de hemel, de bliksem verlichtte de hele aarde en in de hemel donderde het om 1 uur ’s nachts; en iedereen zag het. De zuil stond eerst boven de stenen refter, zodat het kruis niet te zien was. Nadat hij daar even gestaan had, verplaatste hij zich naar de kerk en ging staan boven het graf van Feodosij. Vervolgens bewoog hij zich naar de koepel als ware zijn blik naar het oosten gericht en daarna werd hij onzichtbaar. Dit was echter geen vuurzuil, maar de verschijning van een engel: want een engel verschijnt op deze manier, nu eens als een vuurzuil, dan weer als een vlam. Zoals David gezegd heeft: “Hij maakt de winden tot zijn engelen en laaiend vuur tot zijn dienaren.”[1] Zij worden gezonden op bevel van God, waarheen de Heer en Schepper van allen wil. Want de engel komt waar gezegende plaatsen en gebedshuizen zijn en daar toont hij iets van zijn aanschijn, voorzover de mensen dat kunnen zien; want mensen kunnen de aard van een engel niet zien, zoals ook de grote Mozes er niet toe in staat was de aard van de engel te zien: want overdag leidde een wolkenzuil hen en ’s nachts een vuurzuil. Maar het was niet een zuil die hen leidde, maar een engel ging hun voor zowel ’s nachts als overdag. Zo verwees ook dit naar een verschijnsel dat nog moest plaatsvinden en dat ook plaatsvond. Want was in het tweede jaar niet deze engel een gids tegen de vreemde volkeren en vijanden? Zoals ook is gezegd: “Een engel zal je voorgaan”[2] en nogmaals: “Je engel zij met je.”

Ik Silvester, igumen van de Heilige Michail, heb deze kroniek geschreven in 6624 (1116) in het negende jaar van de indictie, hopende op Gods genade, onder het bewind van vorst Vladimir in Kiëv, terwijl ik toen abt was van de Heilige Mikhail; moge hij die dit boek leest mij gedenken in zijn gebeden.

Voortzetting volgens de Codex Hypatianus

Zoals de profeet David zegt: “Zoals hij aan zijn engelen over u heeft verkondigd zal hij u bewaren.” Zoals ook de zeer wijze Epifanios (noot?) schrijft: “Bij ieder schepsel is een engel geplaatst;  een engel bij  de wolken, de nevels, de sneeuw, de hagel, de vorst, de stemmen en de donder, er is een engel van de winter en de hitte, de herfst, de lente en de zomer, er is een engel geplaatst bij ieder bezield schepsel op aarde en in de geheime afgrond en bij hen die zijn verborgen onder de aarde en in de duistere onderwereld en bij wat boven de afgrond is en wat vroeger boven de aarde was, waaruit de duisternis, de avond, de nacht en de dag voortkomen.” Bij alle schepselen zijn engelen geplaatst; ook is er een engel geplaatst bij een land, om ieder  land te behoeden, ook al wonen er heidenen. Als de toorn Gods over een land komt en Hij de engel gebiedt tegen dat land ten strijde te trekken, dan zal de engel van dat land zich niet tegen het Goddelijk bevel verzetten. Zoals ook nu is gebeurd, nu God vanwege onze zonden heidense volken naar ons heeft gebracht, die ons volgens Goddelijke beschikking hebben overwonnen; want ze werden op bevel van God aangevoerd door een engel. Als iemand zegt dat de heidenen geen engel hebben, laat hij horen hoe Alexander van Macedonië (de Grote) ten strijde trok tegen Darius, in zijn veldtocht het hele land van Oost naar West overwon, het land van Egypte versloeg, Aram versloeg en aankwam bij de eilanden in de zee; en hij wendde zijn aangezicht om naar Jerusalem te trekken en de Joden te verslaan, omdat zij in vrede leefden met Darius. En hij trok op met al zijn troepen, sloeg een kamp op en rustte uit. De nacht kwam en toen hij te bed lag in zijn tent en zijn ogen opende zag hij een man boven zich staan met een ontbloot zwaard in zijn handen en de aanblik van het zwaard trof hem als een bliksem. Hij haalde met het zwaard uit naar het hoofd van de keizer. De keizer schrok hevig en zei: “Dood me niet.” God heeft me gezonden om voor jou grote keizers van hun macht te beroven en vele volkeren en ik verschijn voor je om je te helpen. Maar weet nu dat je zult sterven omdat je het plan hebt opgevat om naar Jerusalem te trekken en kwaad te doen tegenover Gods Joden en zijn mensen.” De keizer sprak: “Ik smeek je , Heer, vergeef nu de zonde van je knecht. Als het je niet welgevallig is keer ik terug naar huis.” En de engel zei: “Vrees niet, vervolg je tocht naar Jerusalem en daar in Jerusalem zul je een man zien met mijn uiterlijk; val snel voor hem neer, buig voor deze man en doe alles wat hij tegen je zegt. Overtreed zijn gebod niet. Want op de dag dat je zijn gebod overtreedt zul je sterven.” En de keizer stond op, trok naar Jerusalem en daar aangekomen vroeg hij aan de Joden: “Moet ik tegen Darius ten strijde trekken?” En ze toonden hem de boeken van de profeet Daniël en zeiden hem: “Jij bent een bok, hij is een ram en je zult hem verslaan en zijn rijk in bezit nemen.” Heeft dus niet een engel Alexander geleid, zijn de heidenen niet gevlucht en alle heidense afgodendienaars? Zo zijn ook deze heidenen naar ons toe gestuurd vanwege onze zonden.  

[1] Psalm 104, vers 4.

[2] Exodus 23:23.

Start ] inleiding ] jaren 30 - 11e eeuw ] jaren 40 - 11e eeuw ] jaren 50 - 11e eeuw ] jaren 60 - 11e eeuw ] jaren 70 - 11e eeuw ] jaren 80 - 11e eeuw ] jaren 90 - 11e eeuw ] jaren 00 - 12 eeuw ] [ jaren 10 - 12e eeuw ]

Start
inleiding
jaren 30 - 11e eeuw
jaren 40 - 11e eeuw
jaren 50 - 11e eeuw
jaren 60 - 11e eeuw
jaren 70 - 11e eeuw
jaren 80 - 11e eeuw
jaren 90 - 11e eeuw
jaren 00 - 12 eeuw
jaren 10 - 12e eeuw