|
In
6548 (1040) ging Jaroslav op veldtocht naar Litouwen. In
6549 (1041) trok Jaroslav in boten op tegen de Masoviërs[1]. In
6550 (1042) trok Jaroslavs zoon Vladimir op tegen de Jamen[2]
en overwon hen. Bij de krijgers van Vladimir kwamen de paarden om.
Terwijl de dieren nog ademden stroopte men
hun huid er af; zo hevig woedde de pest onder de paarden. In 6551 (1043) zond Jaroslav zijn zoon Vladimir naar de Grieken en gaf hem een grote troepenmacht mee. De militaire leiding vertrouwde hij toe aan Vyšata, de vader van Jan. Vladimir trok op in boten. Ze bereikten de Donau en voeren verder naar Konstantinopel. Er stak een hevige storm op, die de schepen van Rus’stuk sloeg. Ook het schip van de vorst werd door de wind kapot geslagen. Ivan, de zoon van Tvorimir en Jaroslavs legerleider, nam de vorst aan boord van zijn schip. De overige krijgers van Vladimir echter werden op de kust geworpen, 6000 in getal. En toen dezen naar Rusland wilden terugkeren, ging niemand van de druűina van de vorst mee. En Vyšata sprak: “Ik ga met hen mee.” Hij ging van het schip naar hen toe en zei: “Als ik in leven blijf, dan met hen, als ik omkom, dan is het met mijn druűina.” En ze gingen op weg naar Rus’. Het bericht dat de vloot van Rus’ in zee ten onder was gegaan bereikte de Grieken en de keizer, Monomach genaamd, zond veertien schepen achter de Russen aan. Vladimir nu, die met zijn druűina had gezien dat ze hen achtervolgden, wendde de steven en vernietigde de Griekse schepen. Hij ging aan boord van zijn schepen en keerde terug naar Rus’. Vyšata en zijn op de kust geworpen strijders werden krijgsgevangen genomen en naar Konstantinopel gevoerd. Daar werden veel Russen blind gemaakt. Toen drie jaar later vrede werd gesloten, werd Vyšata vrijgelaten en hij keerde terug naar Rus’, naar Jaroslav. In die tijd huwelijkte Jaroslav zijn zuster uit aan Kazimir[3]. In plaats van een bruidsschat te geven liet Kazimir 800 man vrij, die nog door Boleslav krijgsgevangen gemaakt waren toen hij Jaroslav
overwon. In
6552 (1044) werden de twee vorsten Jaropolk en Oleg, zonen van
Svjatoslav, opgegraven. Hun beenderen werden gedoopt en bijgezet in de
kerk van de Heilige Moeder Gods. In hetzelfde jaar stierf Brjaąislav,
de zoon van Izjaslav, kleinzoon van Vladimir en de vader van Vseslav.
Vseslav, zijn zoon, nam zijn troon over (in Polotsk). Deze was door zijn
moeder gebaard met behulp van tovenarij. Want hij werd met de helm
geboren. De tovenaars nu zeiden tegen zijn moeder: “Bind de helm aan
zijn hoofd vast en laat hem deze dragen tot het einde van zijn leven.”
En Vseslav draagt hem tot op de dag van vandaag; om die reden is hij
meedogenloos wat bloedvergieten betreft. In 6553
(1045) stichtte Jaroslavs zoon Vladimir de Heilige-Sofiakerk in
Novgorod. In
6555 (1047) trok Jaroslav op tegen de Masoviërs en overwon hen.
Hij doodde hun vorst Moislav en onderwierp hen aan Kazimir.
[1] Poolse volksstam in het midden van het stroomgebied van de Wisla en aan de benedenloop van de Bug. Buurvolk van Oost-Slavische stammen. [2] Finse volksstam in Noord-Rusland, tussen het Ladogameer en de noordelijke Dvina. [3] Kazimir I, koning van de Lechen (Polen).
|
||