|
In 6568
(1060) overleed Jaroslavs zoon Igor’. In datzelfde jaar verzamelden
Izjaslav, Svjatoslav, Vsevolod en Vseslav talloze strijders en op
paarden en in schepen trokken ze met een ontelbare massa op tegen de
Turken. Nadat ze dit vernomen hadden, werden de Turken bang en vluchtten
weg tot op de dag van vandaag. Tijdens hun vlucht kwamen ze om,
achtervolgd door de toorn van God, sommigen als gevolg van de winterse
koude, anderen van de honger, weer anderen door massale sterfte en het
oordeel Gods. Zo verloste God de Christenen van de heidenen. In 6569 (1061) kwamen
de Polovcen voor het eerst naar het Russische land om oorlog te voeren;
Vsevolod trok hen echter op 2 februari tegemoet[1].
In de veldslag overwonnen ze Vsevolod en na de strijd trokken ze zich
terug. Dit was het eerste onheil, veroorzaakt door de heidense en
goddeloze vijanden. Hun vorst heette Iskal[2]. In 6571 (1063)
overleed Sudislav, de broer van Jaroslav. Ze begroeven hem in de Kerk
van de Heilige Georgij. In dat jaar stroomde de Volchov in Novgorod vijf
dagen lang in omgekeerde richting. Dit was geen goed voorteken, want
vier jaar later stak Vseslav de stad in brand. In 6572 (1064)
vluchtte Rostislav, zoon van Vladimir, kleinzoon van Jaroslav, naar
Tmutorokan’ en met hem vluchtten Porej en Vyšata, de zoon van
Ostromir, de legeraanvoerder van Novgorod. Daar aangekomen verdreef hij
Gleb uit Tmutorokan’ en nam diens plaats in. In 6573 (1065) trok
Svjatoslav op tegen Rostislav in Tmutorokan’. Rostislav echter trok
zich terug uit de stad, niet omdat hij bang was voor hem, maar omdat hij
tegen zijn oom de wapens niet wilde opvatten. Toen Svjatoslav dan in
Tmutorokan’ was gearriveerd, installeerde hij daar opnieuw zijn zoon
Gleb en vertrok weer. Maar Rostislav keerde terug naar Tmutorokan’ en
verdreef
Gleb opnieuw. Gleb ging naar zijn vader en Rostislav zetelde in
Tmutorokan’. In dat jaar begon Vseslav een oorlog.
In die tijd nu was er een
teken in het westen, een zeer grote ster, met stralen als van bloed, die
‘s avonds na zonsondergang opkwam. Zij bleef zeven dagen. Deze ster
was geen goed voorteken, want daarna waren er vele onderlinge twisten en
invallen van heidenen in het land van Rus’. Want deze ster was als van
bloed, omdat zij bloedvergieten aankondigde. In die tijd was er een
klein kind in de Setoml’ gegooid; vissers haalden het kind op in hun
net. Wij onderzochten het tot de avond, toen ze het terug in het water
gooiden. Het zag er als volgt uit: het had zijn geslachtsdelen op zijn
gezicht, iets anders valt er niet over te zeggen, vanwege de schande.
Voor deze tijd was ook de zon veranderd en gaf geen licht, maar was als
de maan; onwetenden zeggen dan dat zij is opgegeten. Dergelijke tekens
voorspellen weinig goed. Want
dat begrijpen we uit hetgeen vroeger ten tijde van Antiochus in
Jerusalem gebeurde: plotseling verschenen gedurende veertig dagen in de
lucht boven de hele stad mannen op paarden gezeten, gewapend, in gouden
kleren gehuld. In scharen verschenen ze, terwijl ze met hun wapens
zwaaiden; dit was de voorspelling van de aanval van Antiochus op
Jerusalem. Vervolgens straalde ten tijde van keizer Nero in hetzelfde
Jerusalem boven de stad een ster in de vorm van een lans: die kondigde
een aanval van het leger van de Romeinen aan. En wederom geschiedde iets
dergelijks ten tijde van keizer Justinianus: er verscheen een ster in
het Westen, die stralen verspreidde en die ze de “stralende
ster”noemden. Ze scheen twintig dagen lang. Daarna was er een stroom
van sterren, van de avond tot de ochtend, zodat iedereen meende dat de
sterren vielen en wederom scheen de zon zonder stralen: dit was de
aankondiging van oproer, ziekten en dood voor de mensen. En
tijdens het bewind van keizer Mauricius
[3]
geschiedde het volgende. Een vrouw baarde een kind zonder ogen en zonder
handen, en aan zijn onderlijf was een vissenstaart gegroeid. Er werd een
hond met zes poten geboren. In Afrika nu werden twee kinderen geboren,
een met vier benen, de ander met twee hoofden. Daarna gebeurde tijdens
het bewind van keizer Constantijn de Iconoclast[4],
de zoon van keizer Leo, het volgende. Er was een stroom van sterren aan
de hemel en sterren stortten neer op aarde, zodat zij die het zagen
meenden dat dit het einde van de wereld was. En in Syrië vond een grote
aardbeving plaats, de aarde scheurde over een lengte van drie stadiën.
Uit de aarde kwam als door een wonder een muilezel, die met menselijke
stem sprak en de inval van een vreemd volk aankondigde, hetgeen ook
gebeurde: de Saracenen vielen het Palestijnse land binnen. Want tekenen
aan de hemel, zij het door sterren of door de zon, door vogels of door
iets anders, gebeuren niet ten goede, maar dergelijke tekens strekken
ten kwade; ze kondigen oorlog, hongersnood of dood aan. In 6574 (1066), toen
Rostislav in Tmutorokan’ zetelde en schatting eiste van de Kasogen[5]
en van andere volkeren, begonnen de Grieken hem te vrezen en stuurden
zij een hoofdman met valse bedoeling. Toen deze bij Rostislav was
gekomen en diens vertrouwen had gewonnen, kreeg Rostislav respect voor
hem. Eens, toen Rostislav met zijn družina een drinkgelag hield, sprak
de hoofdman: “Vorst, ik wil op uw gezondheid drinken”. Deze nu zei:
“Drink”. Hij dronk de helft op en gaf de andere helft aan de vorst
te drinken, nadat hij zijn vinger in de beker had gestoken. Want onder
zijn nagel had hij een dodelijk gifmengsel. Hij gaf de beker aan de
vorst, nadat hij zijn dood had vastgesteld op de zevende dag. Deze dronk
ervan en de hoofdman verklaarde, teruggekeerd in Korsun[6],
dat Rostislav op die dag zou sterven, zoals ook geschiedde. De hoofdman
nu werd door de bevolking van Korsun door steniging om het leven
gebracht.[7]
Rostislav was een dapper en krijgshaftig man. Hij was goed gebouwd, had
een knap gelaat en was genadig voor de armen. Hij overleed op 3 februari
en werd daar (in Tmutorokan’) bijgezet in de kerk van de H. Moeder
Gods. In 6575 (1067) begon
Vseslav van Polotsk, zoon van Brja¹islav,
een oorlog en nam Novgorod in. Maar de drie zonen van Jaroslav,
Izjaslav, Svjatoslav en Vsevolod, verzamelden hun strijders en trokken
op tegen Vseslav in de winterse koude. En ze kwamen aan bij Minsk,
waarvan de inwoners zich in de stad verschansten. De broers nu namen
Minsk in, doodden de mannen en gaven de vrouwen en kinderen als
krijgsbuit. Ze rukten op naar de Nemiga
[8]
en Vseslav trok hen tegemoet. En beide partijen troffen elkaar aan de
Nemiga op de derde maart; er lag veel sneeuw toen zij op elkaar af
stormden. Het was een verschrikkelijke slag en velen kwamen om.
Izjaslav, Svjatoslav en Vsevolod zegevierden en Vseslav sloeg op de
vlucht. Later, op de tiende juli, zwoeren Izjaslav, Svjatoslav en
Vsevolod een plechtige eed aan Vseslav en zeiden: “Kom naar ons toe,
want we doen je geen kwaad.” En deze, vertrouwend op de eed, stak in
een boot de Dnepr over. Terwijl Izjaslav hem voorging naar zijn tent,
namen ze Vseslav gevangen in Rša bij Smolensk en schonden hiermee hun
eed. Izjaslav bracht Vseslav vervolgens naar Kiëv en wierp hem met twee
van zijn zonen in de gevangenis.
In 6576 (1068)
trokken barbaren, een menigte Polovcen, op naar het Russische land.
Izjaslav, Svjatoslav en Vsevolod trokken hen tegemoet in de richting van
de rivier de Al’ta. En toen het nacht was, raakten ze slaags. Vanwege
onze zonden stuurde God de heidenen op ons af. De Russische vorsten
sloegen op de vlucht en de Polovcen behaalden de overwinning. Want in zijn toorn brengt
God vreemde stammen naar een land en wanneer de inwoners zo zijn
vernietigd denken zij weer aan God; interne conflicten daarentegen
ontstaan door verleiding van de duivel. Want God wil niet het kwade voor
de mensen, maar het goede; maar de duivel verheugt zich over boosaardige
moord en bloedvergieten, zodat hij aanzet tot twist, afgunst,
broederhaat en laster. Wanneer een land dan tot zonde is vervallen,
straft God het met dood, honger, een inval van de heidenen, droogte, een
rupsenplaag of met andere straffen. Tenzij we boete doen en leven zoals
God wil dat wij leven, want hij zegt ons door de profeet: “Bekeert u
tot mij met geheel uw hart, met vasten en met geween.”[9]
Ja als wij zo handelen, zullen ons alle zonden vergeven worden; maar wij
keren steeds terug naar het kwaad en
als varkens wroeten we onophoudelijk
in het slijk van onze zonden en blijven zo. Door dezelfde profeet
zegt Hij ons: “Ik weet, zegt Hij, dat gij hard zijt en dat uw nek is
als van ijzer”[10]
, derhalve “heb ik u de regen onthouden. In het ene gebied liet ik het
regenen, maar in het andere niet en het verdroogde; en ik heb u geslagen
met hitte en met verschillende straffen. En toch hebt u zich niet tot
mij bekeerd. Om die reden heb ik uw wijngaarden, uw akkers, uw
vijgebomen en bossen doen verdorren, zo spreekt de Heer, maar uw
euveldaden heb ik niet kunnen uitwissen. Ik heb verschillende ziektes en
gruwelijke dood over u gezonden”, en over het vee heb ik mijn straf
laten komen.”[11]
In beide gevallen hebt u zich niet bekeerd, maar u zei: “wij worden
gekweld.” Hoelang hebt u zich niet verzadigd aan uw kwaden? Want u
bent afgeweken van mijn weg, spreekt de Heer, en hebt velen verleid;
daarom zal ik een snelle getuige zijn tegen mijn tegenstrevers, de
echtbrekers, tegen hen die valselijk bij mijn naam zweren, tegen
diegenen die aan de dagloner zijn loon onthouden, tegen verdrukkers van
wezen en weduwen en tegen hen die het gerecht misleiden. Waarom hebt u
zich niet van uw zonden onthouden? Maar u bent afgeweken van mijn wetten
en hebt u ze niet in acht genomen. Keert u zich tot mij en ik zal mij
tot u keren, zegt de Heer, en ik zal de watervallen van de hemel voor u
openen en mijn toorn van u afwenden, totdat u aan alles overvloed hebt
en noch uw wijngaard, noch uw akkers uitgeput raken. Maar u bezwaarde
mij met uw woorden, toen u zei: “Nutteloos is hij die God dient”.[12]
Daarom: “Hun monden respecteren mij, maar hun hart is ver van mij
verwijderd”. Om die reden ontvangen we niet wat we vragen; “het zal
geschieden, zo zegt hij, dat wanneer gij mij roept, ik niet naar u zal
luisteren. Ge zult mij in uw ellende zoeken maar me niet vinden”[13]
; want gij wilde niet mijn weg gaan. Om die reden sluit zich de hemel of
laat zich moeilijk openen, hagel in plaats van regen uitstortend, met
vorst de vruchten slaand en met hitte de aarde kwellend, vanwege onze
zonden. Wanneer wij berouw hebben over onze zonden, zal hij ons alles
geven waar wij om vragen en “zal hij ons vroege en late regen
schenken. Uw dorsvloeren zullen vol koren zijn en de perskuipen zullen
overstromen van most en olie. Ik zal u vergoeden voor de jaren dat de
sprinkhanen, kevers en rupsen alles opvraten, mijn grote legermacht, die
ik op u afzond”[14]
, zo spreekt de Almachtige Heer. Dit alles horend, laten we ons richten
op het goede, zoekt de gerechtigheid, bevrijdt de verdrukte. Laten we
tot berouw komen, zonder kwaad met kwaad te vergelden, noch smaad met
smaad, maar laten we ons met liefde vastklampen aan de Heer onze God,
terwijl we met vasten, geween en tranen al onze zonden afwassen, en
laten we ons niet in woord christenen noemen, terwijl we als heidenen
leven. Leven we immers niet heidens, wanneer we geloven in de betekenis
van ontmoetingen. Wanneer iemand een monnik tegenkomt, keert hij naar
huis terug, ook nadat hij het pad heeft gekruist van een kluizenaar of
een varken; is dat niet heidens? Het is immers op aanstichting van de
duivel dat men aan dit bijgeloof vasthoudt. Anderen geloven in niezen,
wat heilzaam zou zijn voor het hoofd. Maar met deze en andere gewoonten
misleidt de duivel ons, wanneer hij ons met allerlei listen afleidt van
God, met trompetten en potsenmakers, met goesli
[15]
en lentefeesten. Want we zien platgetrapte feestterreinen, met daarop
zoveel mensen dat ze elkaar verdringen. De deelnemers bieden door hun
gedrag een schouwspel dat door een demon geregisseerd lijkt. Maar de
kerken staan leeg; wanneer het gebedsuur is aangebroken, zijn weinig
mensen in de kerk te vinden. Daarom krijgen wij allerlei straffen van
God te verduren en vijandelijke invallen; zo worden wij op bevel van God
gestraft voor onze zonden. Laten we echter terugkeren
naar ons verhaal. Toen Izjaslav met Vsevolod naar Kiëv was gevlucht en
Svjatoslav naar ‡ernigov,
vluchtten ook de mannen van Kiëv terug naar hun woonplaats, belegden
een ve¹e
[16]
op het marktplein en zeiden tegen de vorst: “Ziet, de Polovcen hebben
zich verspreid over het land; geef ons, vorst, wapens en paarden en wij
zullen nogmaals slag met hen leveren.” Izjaslav echter luisterde niet
naar deze raad. En het volk begon legeraanvoerder Kosnja¹ko
te bekritiseren; van de ve¹e
gingen ze de heuvel op en arriveerden bij het hof van Kosnja¹ko.
Toen ze hem daar niet aantroffen, hielden ze halt bij het hof van Brja¹islav
en zeiden: “Kom, laten we onze druûina
uit de kerker bevrijden.” En ze verdeelden zich in twee groepen: de
ene ging naar de kerker, de andere over de brug. De laatste groep ging
naar het hof van de vorst. Terwijl Izjaslav met zijn druûina
in de ontvangsthal bijeenzat, begon het volk dat beneden stond met de
vorst te twisten. Toen de vorst uit het venster keek en de druûina
bij hem stond, zei Tuky, de broer van ‡udin,
tegen Izjaslav: “U ziet, vorst, het volk begint te morren, laat
Vseslav bewaken.” Toen hij deze woorden sprak, kwam de andere helft
van het volk van de gevangenis vandaan, die ze geopend hadden. De druûina
sprak tot de vorst: “Dit ziet er slecht uit. Laat Vseslav halen en
roep hem met een list naar het venster, opdat ze hem met een zwaard
doorboren.” De vorst luisterde hier niet naar. De menigte begon te
schreeuwen en begaf zich naar de kerker waarin Vseslav zat opgesloten.
Toen Izjaslav dit zag, vluchtte hij met Vsevolod van zijn hof. De
menigte bevrijdde Vseslav uit de kerker, op 15 september, en huldigde
hem midden in het hof van de vorst. Het hof van de vorst werd
leeggeplunderd, een ontelbare hoeveelheid goud en zilver, in staven en
munten. Izjaslav vluchtte naar de Lechen. Daarna trokken de Polovcen
al strijdend door het land van Rus’. Terwijl Svjatoslav zich in ‡ernigov
bevond, begonnen de Polovcen ook in de omgeving van die stad oorlog te
voeren. Svjatoslav verzamelde een aantal strijders en trok de Polovcen
tegemoet in de richting van Snovsk [17].
De Polovcen zagen het oprukkende leger en maakten zich op voor de
strijd. Toen Svjatoslav hun overmacht zag, zei hij tegen zijn
strijdmakkers: “Laten we oprukken, we kunnen geen kant meer op.” Ze
zetten hun paarden aan en Svjatoslav, met drieduizend strijders, overwon
het leger van de Polovcen, dat uit twaalf duizend man bestond; een deel
werd meteen gedood, anderen verdronken in de Snov en hun vorst werd
gevangen genomen, op de eerste dag van november. En Svjatoslav keerde
als overwinnaar naar zijn stad terug. Vseslav nu nam zijn intrek
in Kiëv. Hiermee toonde God de kracht van het kruis, want Izjaslav had
Vseslav gevangen genomen na het kussen van het kruis. Daarom bracht God
de heidenen in het land. Het heilig kruis heeft hem (Vseslav) duidelijk
gered. Want op de dag van de Kruisverheffing (14 september) had Vseslav
verzucht: “O heilig kruis! Omdat ik in u geloofd heb, bevrijd mij uit
dit graf.” God echter toonde de kracht van het kruis tot vermaning van
het Russische land, opdat men niet meer het kruis schendt, na het gekust
te hebben; als iemand het schendt, zal hij zowel hier straf ontvangen
als in het hiernamaals de eeuwige straf. Groot is de kracht van het
kruis. Want het kruis overwint
de duivelse krachten.
Het staat vorsten bij in veldslagen en gelovigen die met het
kruis zijn gewapend overwinnen in veldslagen hun vijanden. Het kruis
verlost diegenen, die het met geloof aanroepen snel uit de rampspoed.
Niets vrezen duivels zozeer als het kruis. Want als iemand droomt over
duivels, worden dezen verdreven door het gelaat met een kruis te
bedekken. Vseslav nu zetelde zeven maanden in Kiëv.
[1] Dit is in de Nestorkroniek de eerste precieze datum voor een seculiere gebeurtenis. Tot 1061 worden alleen kerkelijke gebeurtenissen goed gedateerd. [2] In de Ipat’ev-redactie wordt de vorst van de Polovcen Sokal genoemd. [3] Mauricius was een Byzantijnse keizer die regeerde van 582 tot 602 n. Chr. [4] De Byzantijnse keizer Constantijn V Copronymus (719-775), zoon van Leo III. [5] Stam uit de Noordelijke Kaukasus. [6] Russische naam voor de oude Griekse kolonie Chersonesos op de Krim. [7] De meeste onderzoekers veronderstellen dat de hoofdman is gestenigd uit wraak voor de moord op Rostislav. Uit de kroniektekst blijkt echter niet dat hij onmiddellijk na terugkeer uit Tmutorokan' is gestenigd en dat er enig causaal verband is tussen de moord en de steniging. Meer waarschijnlijk is dat de kroniekschrijver gewag heeft gemaakt van de steniging, om te getuigen van de "wrake Gods". [8] Inmiddels drooggevallen zijrivier van de Svislo_. De Svislo_ is een zijtak van de Berezina en stroomt door Minsk. [9] Joël 2:12. [10] Jesaja 48:4. [11] Amos 4: 9,10. [12] Maleach 3:5-14 passim. [13] Spreuken 1,28. [14] Joël 2,23-25. [15] Oudslavisch strijk- en tokkelinstrument. [16] Vergadering van vrije burgers. [17] Stad in het vorstendom ‡ernigov, op de plaats waar de rivier de Snov' uitmondt in de Desna. [18] Dit dreigement werd vermoedelijk geuit door de kooplieden, voor wie de handelsbetrekkingen met Byzantium uiterst belangrijk waren. Door Izjaslavs onhandige politiek en zijn onsuccesvolle strijd tegen de Polovtsen was de handel met Byzantium ernstig teruggelopen. [19] Hier gaat de sympathie van de kroniekschrijver duidelijk uit naar de inwoners van Kiëv. Die bleek reeds eerder uit zijn begripvolle beschrijving van hun opstand in 1068 tegen Izjaslav, uit protest tegen diens weigering hen uit te rusten voor de strijd tegen de Polovtsen. [20] Kennelijk uit vrees voor opstanden, die gewoonlijk op de markt uitbraken, verplaatste Izjaslav de markt naar de heuvel (in de stad) om beter contole te kunnen uitoefenen. |
|