|
In
6578 (1070) werd bij Vsevolod een zoon geboren en hij werd
Rostislav genoemd. In datzelfde jaar werd de Heilige Michaelkerk
gesticht in het klooster van Vsevolod. In
6579 (1071) voerden de Polovcen strijd bij Rostovec en Nejatin
[1]
In hetzelfde jaar verjoeg Vseslav Svjatopolk (Izjaslavi¹)
uit Polotsk. In dat jaar ook versloeg Jaropolk (Izjaslavi¹)
Vseslav bij Goloti¹sk
[2].
In die tijd kwam er een waarzegger, bezeten door een duivel; hij kwam
naar Kiëv en vertelde aan de mensen dat in het vijfde jaar de Dnepr in
omgekeerde richting zou stromen en dat de landen van plaats zouden
veranderen, dat het Griekse land de plaats zou innemen van het Russische
en het Russische land die van het Griekse en ook de overige landen van
plaats zouden veranderen. Onwetenden luisterden naar hem, maar gelovigen
lachten en zeiden tot hem: “Een duivel speelt met je, tot je
verderf.” Aldus geschiedde ook: op een nacht verdween hij spoorloos. Want
duivels ondermijnen een mens en zetten hem aan tot het kwaad; vervolgens
lachen ze hem uit, nadat ze hem in de afgrond van de dood gestort hebben
en hem in hun taal hebben leren spreken. Daarom zullen wij nu de
aanstichtingen en werken van de duivel uiteenzetten.[3]
Toen
er eens hongersnood heerste
in het gebied rond Rostov, stonden twee tovenaars uit Jaroslavl op en
zeiden: “Wij weten wie de overvloed achterhoudt.” Ze trokken langs
de Wolga en waar ze in een nederzetting kwamen, noemden ze de
aanzienlijkste vrouwen en zeiden dat deze het koren achterhield, die de
honing, een ander de vissen en weer een ander het bontwerk. En de mensen
brachten hun zusters, moeders en echtgenotes bij hen. De tovenaars nu
sneden hen in trance tussen
hun schouderbladen, namen daaruit het graan of de vis, en ze doodden vele vrouwen en namen hun
bezittingen met zich mee.[4] Ze kwamen aan in Beloozero
en er waren 300 andere mensen bij hen. In dezelfde tijd gebeurde het dat
Jan, de zoon van Vyšata, namens Svjatoslav (in Beloozero) schatting
kwam innen; de inwoners van Beloozero vertelden hem dat twee tovenaars
aan de Volga en de Šeksna reeds vele vrouwen gedood hadden en dat ze
ook daar waren gekomen. Nadat Jan uitgezocht had van wie de twee
tovenaars onderdanen waren en te weten was gekomen dat zij van zijn
eigen vorst waren, zond hij de volgende boodschap aan degenen die bij
hen waren: “Leveren jullie de twee tovenaars aan mij uit, want het
zijn onderdanen van mijn vorst.” Zij echter gehoorzaamden niet. Jan nu
was zelf ongewapend en zijn mannen zeiden tegen hem: “Ga niet
ongewapend, ze zullen je schande aandoen.” Hij liet toen zijn mannen
wapens halen, en vergezeld door zijn gevolg van twaalf man ging hij naar
hen in het bos. De andere partij echter stelde zich, gereed voor het
gevecht, tegenover hen op. Toen Jan met een bijl naderde, traden van hen
drie mannen naar voren, liepen op Jan toe en zeiden: “Zoals je ziet ga
je de dood tegemoet, ga dus niet verder.” Nadat deze echter had
bevolen hen te doden, liep hij op de overigen toe. Ze stortten zich op
Jan en één van hen trof Jan bijna met een bijl. Jan echter wendde de
bijl af, sloeg hem met de achterkant ervan en en beval zijn mannen hen
neer te houwen. De anderen echter vluchtten het bos in en doodden daar
de pope van Jan. Jan ging terug naar Beloozero en zei tegen de inwoners
van deze stad: “Als jullie die twee tovenaars niet gevangen nemen, ga
ik dit jaar niet bij jullie weg.”[5]
De inwoners van Beloozero gingen op weg, namen hen gevangen en
brachten hen voor Jan. En hij sprak tot het tweetal: “Waarom hebben
jullie zoveel mensen gedood?” Zij dan zeiden: “Zij houden hun
voorraden vast, en als we hen opruimen is er overvloed; maar als je dat
wilt, halen we vóór je
ogen koren of vis of iets anders te voorschijn.” Jan echter zei:
“Dat is waarlijk een leugen; God heeft de mens gemaakt uit aarde, de
mens is samengesteld uit botten en aders voor het bloed; er zit niets in
hem en niemand weet iets, slechts God alleen weet.” Hierop antwoordde
het tweetal: “Wij weten hoe de de mens geschapen is.” Jan vroeg:
“Hoe?” Zij zeiden: “Toen God zich baadde en was gaan zweten, heeft
hij zich afgeveegd met een bosje stro en dat heeft hij vanuit de hemel
naar de aarde geworpen. En Satan kreeg twist met God, wie daaruit de
mens zou maken. De duivel heeft de mens gemaakt, maar God heeft zijn
ziel daarin gelegd. Daarom gaat, wanneer een mens sterft, zijn lichaam
in de aarde en zijn ziel naar God.” Jan sprak tot de twee: “De
duivel heeft jullie waarlijk verleid. In welke god geloven jullie?”
Ze zeiden: “In de antichrist.” Hij vroeg hen: “Waar is hij?” Zij
antwoordden: “Hij zit in de afgrond.” Jan nu zei tot hen: “Wat is
dat voor een god, die in de afgrond zit? Dat is de duivel, maar God is
in de hemel, zittend op een troon, geprezen door de engelen, die met
ontzag voor hem staan en niet naar hem durven opzien. Van deze engelen
is hij verstoten die jullie de antichrist noemen. Om zijn hooghartigheid
is hij vanuit de hemel in de diepte geworpen en hij verblijft in de
afgrond, zoals jullie beiden zeggen, wachtend totdat God vanuit de hemel
komt. Deze antichrist zal hij met ketenen boeien en hij zal hem gevangen
zetten na hem samen met zijn dienaren en met hen die in hem geloven,
gegrepen te hebben. Maar jullie twee zullen zowel hier door mij
gekweld worden als na de dood daar.” Zij echter zeiden: “De goden
zeggen ons dat je ons niets kunt doen.” Hij verklaarde: “De goden
liegen tegen jullie.” Het tweetal sprak toen: “Wij zullen voor
Svjatoslav moeten verschijnen, maar jij kunt (mag) ons niets doen.”
Jan echter liet hen geselen en hun baarden uitrukken.[6]
Toen zij waren gegeseld en hun met een tang de baard was uitgerukt,
vroeg Jan aan hen: “Wat zeggen de goden tegen jullie?” Zij
antwoordden: Dat we voor Svjatoslav moeten verschijnen.” En Jan liet
hun een prop in de mond stopppen en hen vastbinden aan de mast van een
boot, liet hen in de boot en ging zelf achter hen aan. Ze stopten bij de
monding van de Šeksna en Jan zei tegen hen: “Wat zeggen de goden
tegen jullie?” Zij nu antwoordden: “Het volgende zeggen de goden tot
ons, dat wij door jouw toedoen niet in leven blijven.” Jan sprak tot
hen: “Dat hebben de goden jullie naar waarheid verteld.” Zij echter
zeiden: “Maar als je ons vrij laat, zal jou veel goeds geschieden,
als je ons echter doodt, zul je veel ellende en kwaad ondervinden.”
Maar hij zei tot hen: “Als ik jullie beiden vrijlaat, zal mij uit naam
van God kwaad geschieden; als ik jullie echter dood, zal mij een
beloning ten deel vallen.” En Jan sprak tot de bootslui: “Bij wie
van jullie is een familielid vermoord door dit tweetal?” Zij
antwoordden: “Bij mij de moeder, bij een ander de zus, bij weer een
ander verwanten.” Hij nu zei tot hen: “Wreek de uwen.”[7]
Zij dan grepen de tovenaars, doodden hen en hingen hen op aan een eik.
Zo kregen ze van God een rechtvaardige straf. Toen Jan de volgende nacht
op weg was naar huis, klom een beer omhoog (in de eik), zette zijn
tanden in hen en verslond ze. En zo kwamen op aanstichting van de duivel
zij om, die aan anderen de ondergang voorspelden zonder weet te hebben
van hun eigen ondergang. Wanneer zij dat hadden geweten, waren ze niet
naar die plaats gekomen, waar zij zouden worden gegrepen; en toen ze
gegrepen werden, waarom zeiden ze toen: “We zullen niet sterven”,
terwijl hij (Jan) van plan was hen te doden. Maar dat is nu juist een
duivelse instigatie, want duivels kennen de menselijke gedachten niet,
maar ze dringen de mens een gedachte op zonder het geheim van de mens te
kennen. Alleen God kent de gedachten van de mens, duivels echter weten
niets; want ze zijn onmachtig en onooglijk. Zo zullen we nu iets zeggen over hun uiterlijk en duistere praktijken. In die tijd, in die jaren, gebeurde het dat een inwoner van Novgorod in het gebied van de ‡uden belandde en bij een tovenaar kwam, omdat hij wilde dat die hem de toekomst zou voorspellen. Die nu begon naar zijn gewoonte de demonen op te roepen naar zijn huis. De man uit Novgorod zat op de drempel van dat huis, de tovenaar lag als versteend en de demon diende hem stoten toe. De tovenaar echter stond op en zei tegen de Novgoroder: “De goden durven niet te komen, want je draagt iets op je waar ze bang voor zijn.” De man herinnerde zich dat hij een kruis droeg, ging naar buiten en legde het buiten het huis. De ander begon opnieuw de demonen aan te roepen. De demonen wierpen hem omver en wilden weten waarom hij (de Novgoroder) was gekomen. Vervolgens vroeg de man uit Novgorod: “Waarom zijn ze bang voor hem, wiens kruis wij dragen?” De ander antwoordde: “Dat is het teken van de hemelse god, die onze goden vrezen.” Hij nu sprak: “Maar hoe zien jullie goden er uit en waar wonen ze?”. De tovenaar zei: “In afgronden; van uiterlijk zijn ze zwart en ze hebben vleugels en staarten. Ze stijgen op naar de hemel en luisteren naar jullie goden. Want jullie goden zijn in de hemel. Wanneer iemand van jullie mensen sterft, wordt hij naar de hemel omhoog gedragen, maar wanneer iemand van onze mensen sterft, dan wordt hij naar onze goden in de afgrond gedragen.” Zo is het ook: want zondaars zijn in de hel en hun staan eeuwige kwellingen te wachten, maar de rechtvaardigen wonen in de hemelse woonstede samen met de engelen. Zo
is dan de kracht van de demonen, hun schoonheid en hun onmacht. Hiermee
verlokken ze de mensen; ze bevelen hen over de visioenen vertellen, die
zich manifesteren bij diegenen die wankel van geloof zijn, bij sommigen
in hun droom, bij anderen in hun fantasie, en zo houden dezen zich bezig
met tovenarij op ingeving van de duivel. Duivelse toverkunsten komen
meer voor bij vrouwen; want in den beginne verleidde de duivel de vrouw
en deze de man en evenzo zijn vrouwen in de huidige generaties in de
weer met tovenarij, gifmengerij en andere duivelse streken. Maar ook
komt het voor dat ongelovige mannen door demonen worden verleid, zoals
in eerdere generaties. Want ten tijde van de apostelen was er de
tovenaar Simon, die met zijn toverkunsten honden als mensen liet praten.
Ook kon hij zichzelf veranderen, nu eens in een grijsaard, dan weer in
een jongeling, en kon hij iemand anders een andere gestalte laten
aannemen, in de verbeelding. Zo ook verrichtten Jannes en Jambres door
tovenarij wonderen tegen Mozes, maar al spoedig konden zij niet meer
tegen Mozes op. Ook Kunop veroorzaakte duivelse zinsbegoocheling zoals
lopen over water en andere kunsten, door de duivel verleid, tot verderf
van zichzelf en anderen. Zulk
een tovenaar stond op ten tijde van Gleb
[8]
in Novgorod; hij sprak de mensen toe, terwijl hij zich voordeed als een
god, en verleidde velen, bijna de hele stad. Want hij zei dat hij alles
van tevoren wist en, het christelijk geloof belasterend, zei hij: “Ik
zal de Volchov oversteken ten aanschouwen van allen.” In de stad brak
een opstand uit; allen schonken hem hun geloof en wilden de bisschop
doden [9].
De bisschop nu nam het kruis op, hulde zich in een kazuifel, stond op en
sprak: “Hij die gelooft in de tovenaar, laat hij achter hem gaan
staan, maar hij die waarlijk gelooft, laat die bij het kruis gaan staan.
En zij verdeelden zich in twee groepen: vorst Gleb en zijn družina
stelden zich op bij de bisschop, maar al het volk ging achter de
tovenaar staan. En er brak een groot oproer onder hen uit. Gleb stopte
zijn bijl onder zijn mantel, ging naar de tovenaar en sprak tot hem:
“Weet je dan wat ‘s ochtends zal gebeuren en wat ‘s avonds?” De
ander zei: Ik weet alles van tevoren.” Gleb sprak: “Weet je dan wat
vandaag met je zal gebeuren?” “Ik zal grote wonderen verrichten”,
antwoordde de ander. Gleb nam zijn bijl en hakte op hem in. De tovenaar
viel dood neer en het volk ging uiteen. Lichamelijk kwam hij om, maar
zijn ziel gaf hij over aan de duivel. In
6580 (1072) werden de (lichamen van de) heilige martelaren Boris
en Gleb overgebracht. De zonen van Jaroslav, Izjaslav, Svjatoslav en
Vsevolod, de toenmalige metropoliet Georgi, bisschop Petr van
Perejaslav, (bisschop) Michail van Gurgev (Jur’ev), igumen[10]
Feodosij van het Holenklooster, igumen Sofronij van het H.
Michailklooster, igumen German van het klooster van de Heilige Verlosser
en alle overige igumens kwamen bijeen ter gelegenheid van de feestdag
[11].
Ze vierden een prachtig feest en brachten de lichamen over naar de
nieuwe kerk, welke Izjaslav had gebouwd, en die er ook nu nog staat.[12]
En nadat Izjaslav, Svjatoslav en Vsevolod eerst Boris, in een houten
kist, hadden opgenomen en op hun schouders hadden getild, droegen ze hem
weg. Voorop liepen monniken met kaarsen in hun handen, daarachter
diakens met wierookvaten, priesters en achter hen weer bisschoppen met
de metropoliet; achteraan liepen de zonen van Jaroslav met de kist. Ze
droegen de kist naar de nieuwe kerk en openden deze. De kerk werd
vervuld van een aangename, welriekende geur en zij die hiervan getuige
waren verheerlijkten god. Ontzetting maakte zich meester van de
metropoliet, want hij geloofde niet vast in de twee heiligen; hij viel
ter aarde en vroeg om vergeving. Nadat ze zijn (Boris’) stoffelijke
resten hadden gekust, legden ze hem in een stenen lijkkist. Vervolgens
legden ze Gleb in een stenen lijkkist en zetten die op een slede. De
slede trokken ze met touwen voort. Toen ze in de deuropening waren,
bleef de kist steken. Ze geboden het volk te roepen: “Heer, heb
erbarmen” en toen konden ze hem verder trekken. De overbrenging vond
plaats op de tweede dag van de maand mei
[13].
Na de viering van de liturgie aten de broers gezamenlijk, ieder met zijn
eigen bojaren, in grote onderlinge liefde. In die tijd was ‡udin
stadhouder van Vyšgorod en had Lazar’ het gezag over de kerk. Ten
slotte ging ieder zijns weegs. In
6581 (1073) zaaide de duivel tweespalt onder deze broers, de zoons van
Jaroslav. In de ontstane twist stonden Svjatoslav en Vsevolod samen
tegenover Izjaslav, die Kiëv verliet. Svjatoslav en Vsevolod nu trokken
op 22 maart Kiëv binnen en namen de troon in Berestovoje in, waarmee ze
de laatste wil van hun vader schonden. Svjatoslav was de aanstichter van
de verdrijving van zijn broer, omdat hij meer macht wilde. Want hij had
Vsevolod misleid door te beweren: “Izjaslav spant samen met Vseslav en
beraamt plannen tegen ons; als we hem niet voor zijn, zal hij ons
verdrijven”. En zo zette hij Vsevolod op tegen Izjaslav. Izjaslav nu
ging naar de Lechen met veel rijkdommen en zei: “Hiermee zal ik
soldaten werven”. Maar de Polen namen hem alles af en verdreven hem
uit hun land. En Svjatoslav zetelde in Kiëv na de verdrijving van zijn
broer, waarmee hij inging tegen zijn vaders gebod en meer nog tegen dat
van God. Want het is een grote zonde het gebod van zijn vader niet te
respecteren. Zo vielen de zonen van Cham het land van Seth binnen en
vierhonderd jaar later kwam de wraak van God over hen. Want uit de stam
van Seth komen de Joden voort die na het volk van Kanaän vernietigd te
hebben hun erfdeel en hun land in bezit namen. Later overtrad Ezau het
gebod van zijn vader en vond de dood. Want het is niet goed zich meester
te maken van andermans erfgoed. In dat jaar werd de Holenkerk gesticht
door abt Feodosij en bisschop Michail terwijl metropoliet Georgi op reis
was naar Griekenland en Svjatoslav regeerde in Kiëv. In
6582 (1074) overleed Feodosij, abt van het Holenklooster. We zullen een
kort verslag geven van zijn heengaan. Wanneer de vastentijd naderde,
placht Feodosij op vastenavond, nadat hij al zijn broeders naar gewoonte
gekust had, hen aanwijzingen te geven over hoe zij de vastentijd moesten
doorbrengen in nachtelijke en dagelijkse gebeden, en hoe zij zich
moesten hoeden voor slechte gedachten en voor duivelse ingevingen.
“Want duivels”, zo zei hij, ”fluisteren monniken gedachten in,
duivelse verlangens, die hun fantasie doen ontvlammen en daarom
schadelijk zijn voor hun gebeden; wanneer zulke gedachten opkomen moeten
jullie je ertegen teweerstellen met het kruisteken en de volgende
woorden uitspreken: ’Heer Jezus Christus, onze God, ontferm u over
ons, amen.’ En bovendien moeten jullie je onthouden van veel eten;
door veel eten en mateloos drinken nemen boze aanvechtingen toe en door
deze aanvechtingen wordt de zonde veroorzaakt.” “Daarom”, zo sprak
hij, “moeten jullie je verzetten tegen de invloed van duivels en hun
listen, waken voor luiheid en veel slaap, wakker zijn voor de koorzang,
voor de overlevering der vaderen en voor de lezing van de Schrift. Ook
past het monniken de psalmen van David op de lippen te hebben en hiermee
de duivelse moedeloosheid te verjagen. Verder moeten alle jongeren
liefde koesteren voor de ouderen en onderdanigheid en gehoorzaamheid aan
hen betonen; de ouderen past het liefde te koesteren voor de jongeren,
hen te vermanen en een voorbeeld te zijn door zelfbeheersing,
waakzaamheid, arbeid en nederigheid om zo de jongeren de weg te wijzen,
hen te troosten en in deze zin de vastentijd door te brengen.” En
verder zei hij: “God heeft ons deze veertig dagen gegeven voor het
zuiveren van de ziel; want dit is een tiende van het jaar, aan God
gegeven: er gaan immers 365 dagen in een jaar en van deze dagen geven we
iedere tiende dag als tiende aan God, wat neerkomt op een veertigdaagse
vasten. Nadat de ziel in deze periode gezuiverd is, viert hij opgewekt
de opstanding van de Heer, zich verheugend in God. Want de vastentijd
zuivert de geest van de mens. Het vasten was al bij het begin in beelden
getoond: eerst aan Adam, opdat hij niet van de ene boom zou eten; nadat
Mozes veertig dagen had gevast, werd hij waardig bevonden de wet te
ontvangen op de berg Sinaï, en hij zag Gods heerlijkheid; tijdens een
vastenperiode werd Samuel door zijn moeder gebaard; door te vasten
werden de inwoners van Ninivé verlost van Gods toorn; door te vasten
werd Daniël waardig geacht een groot visioen te krijgen; na gevast te
hebben werd Elia ten hemel opgenomen om hemels voedsel te ontvangen;
door te vasten deden drie profeten de kracht van het vuur teniet; ook de
Heer vastte veertig dagen en bepaalde voor ons hiermee de vastentijd;
door te vasten roeiden de apostelen de lering van de duivel uit; door te
vasten manifesteerden onze vaderen zich als fakkels in de wereld, die
ook na hun dood nog stralen door het tonen van hun grote werken en hun
zelfbeheersing, zoals de grote Antonius, Euthymius, Savva en andere
vaderen die wij navolgen.” En nadat hij zijn broeders aldus had
geleerd, kuste hij hen, ieder bij zijn naam noemend. Hij verliet het
klooster en nam enkele broden mee. Hij betrad een hol, sloot de deur
ervan, stopte de kieren dicht met aarde en sprak met niemand. Wanneer
hij iets nodig had, dan sprak hij op zaterdag of zondag door een klein
raampje, maar andere dagen bracht hij door in vasten en gebed en in
strenge onthouding. En hij keerde terug naar het klooster op vrijdag aan
de vooravond van de naamdag van St. Lazarus; want op die dag eindigt de
veertigdaagse vasten, die begint op de maandag na de Fjodorweek en
eindigt op de vrijdag voor St.
Lazarusdag. De Heilige Week is ingesteld om te vasten vanwege het lijden
van de Heer. Bij zijn terugkeer kuste Feodosij zijn broeders, zoals hij
gewoon was, en vierde met hen Palmzondag. Toen Pasen kwam vierde hij die
dag zoals altijd met veel plechtigheid, maar werd toen ziek. Op de
vijfde dag van zijn ziekte, toen het avond was geworden, liet hij zich
naar de binnenplaats dragen; de broeders nu legden hem op een slee en
plaatsten hem recht tegenover de kerk. Hij beval hen alle monniken te
roepen; de broeders sloegen op de simandron en allen verzamelden zich.
Hij sprak tot hen: “Mijn broeders, mijn vaders, mijn kinderen, ik ga
nu van jullie weg, omdat de heer mij toen ik in het hol aan het vasten
was, te kennen heeft gegeven dat
ik deze wereld zou verlaten. Wie willen jullie als abt hebben, opdat ik
hem mijn zegen geef?” Maar zij zeiden hem: “U bent vader voor ons
allen, laat degene die u zelf wenst vader en abt over ons zijn en we
zullen hem gehoorzamen, zoals ook u.” Onze Feodosij sprak echter:
”Zonder jullie van mij af en benoem wie jullie willen, behalve twee
broeders, Nikola en Ignatij; verkies van de overigen echter, wie jullie
willen, van de oudsten tot de jongsten”. Nadat ze hem aangehoord
hadden, trokken ze zich iets terug naar de kerk, overlegden en stuurden
twee broeders naar hem, die het volgende zeiden: “Benoem hem die God
wenst en uw heilige gebed, hem die u lief is”. En Feodosij zei tot
hen: ”Als jullie van mij een abt willen aannemen, dan zal ik niet
handelen volgens mijn eigen goeddunken maar naar Gods beschikking”; en
hij benoemde voor hen de priester Jakov. Maar dit was niet naar de zin
van de broeders en ze zeiden dat hij niet in hun klooster was ingekleed.
Want Jakov was samen met zijn broer Paul vanuit Letets gekomen. De
broeders vroegen hem liever de cantor Stefan te benoemen, die toen een
leerling van Feodosij was, en zeiden: ”Hij is opgegroeid onder uw hand
en heeft bij u gediend, geef ons hem.” En Feodosij sprak tot hen:
”Zie ik had Jakov op bevel van God benoemd, maar jullie willen je
eigen wil doen.” En gehoor gevend aan hun wens stelde hij Stefan als
abt over hen aan. Hij zegende Stefan en zei tot hem: ”Mijn zoon, zie
ik geef dit klooster aan je over, hoed er zorgvuldig over en houd vast
aan hetgeen ik in de diensten heb ingesteld. Wijzig de tradities en
regels van het klooster niet, maar doe alles overeenkomstig de wet en de
regel van het klooster. Hierna tilden de broeders hem op, droegen hem
naar zijn cel en legden hem op bed. Op de zesde dag, terwijl hij ernstig
ziek was, kwam Svjatoslav met zijn zoon Gleb bij hem op bezoek. Toen ze
bij hem zaten zei sprak Feodosij tot hen: ”Ziet Ik
verlaat deze wereld en ik vertrouw dit klooster aan u toe om het te
behoeden, in geval dat er wanorde heerst. En de abtsstaf draag ik over
aan Stefan, komt u voor hem op”. De vorst kuste hem, beloofde voor het
klooster te zorgen en verliet hem. Toen de zevende dag was aangebroken
en hij steeds zwakker werd, riep hij Stefan en de broeders bij zich en
sprak hun als volgt toe: “Na mijn heengaan van deze wereld, wanneer
God behagen in mij schept en mij zal hebben aangenomen, wanneer het
klooster standhoudt en er monniken blijven komen, weet dan dat God mij
heeft aangenomen. Maar wanneer na mijn dood het klooster in verval raakt
door verminderde toeloop van monniken en door gebrek, dan weten jullie
dat God geen behagen in mij schept. En toen hij dit zei huilden de
monniken, zeggende: “Vader, bid voor ons tot God; want wij weten dat
God uw werk niet zal verachten.” De broeders waakten die nacht bij hem
en op de achtste dag , de tweede zaterdag na Pasen, om twee uur in de
middag, beval hij zijn geest in Gods handen. Het was 3 mei, in het elfde
jaar van de indictie. De monniken weenden om hem. Feodosij had bepaald
dat hij begraven zou worden in de crypte, waar hij veel arbeid had
verricht, met de volgende woorden: “Begraaf mijn lichaam in de
nacht”, wat zij ook deden. Toen de avond was aangebroken, namen de
broeders zijn lichaam op en legden hem in de crypte, na een processie
met gezangen en kaarsen, op plechtige wijze en tot lof van onze Heer
Jezus Christus. Terwijl
Stefan de leiding had over het klooster en de vrome kudde, die Feodosij
had samengebracht, straalden deze monniken als lichtbakens over Rusland.
Sommigen waren streng in het vasten, anderen in het waken, weer anderen
in het knielen. Ook waren er die om de andere dag of om de twee dagen
vastten, of leefden op water en brood, of die slechts gekookte of zelfs
rauwe groente aten. Levend in liefde onderwierpen de jongeren zich aan
de ouderen en waagden het niet in hun aanwezigheid te spreken, maar
gedroegen zich steeds nederig en gehoorzaam. Zo ook koesterden de
ouderen liefde voor de jongeren, vermaanden en troostten hen als beminde
zonen. Wanneer
een broeder in een zonde verviel, troostten ze hem en deelden drie of
vier monniken de boete van die ene als teken van hun liefde; zo groot
was de liefde en onthouding van deze kloostergemeenschap. Wanneer een
monnik het klooster verliet, hadden alle broeders hierover groot
verdriet. Ze stuurden iemand achter de broeder aan en vroegen hem naar
het klooster terug te keren. Vervolgens gingen ze naar de igumen, bogen
voor hem, smeekten om zijn zegen en namen de broeder met vreugde op in
het klooster. Zo hadden zij lief, zo onthielden zij zich en zo vastten
zij. Ik zal enkele uitzonderlijke mannen uit hun midden noemen. Als
eerste de priester Demjan, die een zo strenge vaster en asceet was, dat
hij tot zijn dood slechts op water en brood leefde. Als men een ziek
kind, lijdend aan een of andere kwaal, naar het klooster bracht, of als
een volwassene, die leed aan een ziekte, naar het klooster kwam en zich
wendde tot de zalige Feodosij, gebood deze Demian een gebed uit te
spreken voor de zieke; en terstond nadat hij een gebed had uitgesproken
en een zalving had verricht, verkregen zij die bij hem kwamen genezing.
Toen hij zelf ziek was geworden en op sterven lag, kwam een engel tot
hem in de gestalte van Feodosij en beloofde hem het koninkrijk der
hemelen voor zijn werken. Hierna kwam Feodosij met de broeders bij hem
en zette zich bij hem neer. In zijn verzwakte toestand keek hij de
igumen aan en zei: “Vergeet niet, igumen, wat u mij beloofd hebt”.
De grote Feodosij begreep dat hij een visioen gehad had en zei hem:
“Broeder Demian, wat ik beloofd heb, zal gebeuren”. Toen sloot hij
de ogen en beval zijn geest in Gods handen. De abt en de broeders
begroeven zijn lichaam. Zo
was er ook een andere broeder, Jeremia genaamd, die zich de kerstening
van het Russische land herinnerde. God had hem de gave van de
toekomstvoorspelling verleend. Als hij iemand in gepeins verzonken zag
wees hij hem heimelijk terecht en vermaande hij hem zich te hoeden voor
de duivel. Als een broeder het plan opvatte om het klooster te verlaten
en hij zag hem, dan ging hij naar hem toe, keurde de gedachte van die
broeder af en troostte hem. Wanneer hij iemand iets zei, goed of slecht,
kwam het woord van de starec uit. Er
was ook een andere starec, Matfej genaamd, die helderziend was. Toen hij
eens in de kerk op zijn plaats stond en zijn ogen opsloeg, keek hij naar
zijn broeders, die aan weerszijden van het koor stonden te zingen. En
hij zag een duivel om hen heen lopen, vermomd als Lech en gehuld in een
mantel, die in een plooi van de jas een plant droeg die klit wordt
genoemd. En terwijl deze duivel langs de broeders liep, nam hij uit zijn
schoot een klit en wierp die naar een willekeurige broeder. Wanneer de
bloem dan vastklitte aan aan een van de zingende monniken, bleef die
maar even en zijn geest verzwakte. Hij bedacht een voorwendsel, verliet
de kerk, ging naar zijn cel en viel in slaap om pas in de kerk terug te
keren tijdens het slotgezang. Maar als de duivel de klit wierp naar een
andere monnik en de klit hechtte niet dan bleef deze staan en zong vurig
door tot het einde van de dienst. Toen hij dit zag vertelde de starec
het aan zijn medebroeders. Een ander keer zag de starec het volgende:
nadat hij zoals gewoonlijk de metten had bijgewoond, gingen de broeders
voor zonsopkomst terug naar hun cel, maar ging hij zelf later de kerk
uit. Alleen lopend ging hij onder de houten gong zitten om uit te
rusten, want zijn cel was wat verder van de kerk verwijderd. Toen zag
hij een menigte vanaf de poort komen en zijn ogen opslaand zag hij dat een
van hen op een varken zat en dat de anderen naast hem liepen. De starec
sprak tot hen: “Waar gaan jullie heen”. En degene die op het varken
zat zei: “Achter Michail Tolbekovich aan”. De starec sloeg een
kruisteken en keerde terug naar zijn cel. Toen het licht was geworden
kreeg de starec een ingeving en zei tegen de portier: “Ga vragen of
Michail in zijn cel is”. En ze zeiden hem dat deze kort daarvoor, na
de metten, over de omheining was gesprongen. En de starec vertelde de
abt en de broeders van zijn visioen. Tijdens het leven van deze starec
overleed Feodosij, werd Stefan abt en na hem Nikon, en de starec leefde
nog steeds. Eens toen hij de ochtenddienst bijwoonde en zijn ogen
opsloeg omdat hij de abt Vader Nikon wilde zien, ontwaarde hij een ezel,
die stond op de plaats van de igumen en begreep dat de abt nog niet was
opgestaan. Zo heeft de starec ook vele andere visioenen gehad en hij
stierf op hoge ouderdom in dit klooster. Er was ook een andere monnik, Isakij genaamd. Toen
hij nog in de wereld was, in het seculiere leven, was hij rijk. Want hij
was koopman, geboren in Toropets. Hij besloot monnik te worden. Hij gaf
zijn bezittingen aan behoeftigen en kloosters, ging naar de grote
Antonij in het holenklooster en verzocht deze hem monnik te maken.
Antonij nam hem aan, hulde hem in een monnikspij en gaf hem de naam
Isakij, want zijn eigen naam was ‡ern’.
Deze Isakij nam een strenge leefwijze aan: hij hulde zich in een haren
kleed en liet een bok kopen en ontdeed die van de vacht. De vacht trok
hij aan over het haren kleed, zodat die, nog vochtig, op hem droogde. In
het holenklooster liet hij zich opsluiten in een verlaten gang, in een
kleine cel van ongeveer vier el en daar bad hij in tranen tot God. Zijn
voedsel bestond uit hostiebrood, en dat om de dag. Water dronk hij met
mate. De grote Antonij bracht hem zijn voedsel, dat hij hem aanreikte
door een raampje met de grootte van een hand. Zo kreeg hij zijn eten. En
dat deed hij zeven jaar lang, zonder daglicht te zien en zonder languit
te kunnen liggen, want slechts zittende genoot hij soms een weinig
slaap. En eens, toen de avond was aangebroken, begon hij naar gewoonte
buigingen te maken en psalmen te zingen, tot middernacht; en toen hij
moe was ging hij op zijn stoel zitten. Toen hij dan zoals gewoonlijk zat
en de kaars had uitgedoofd, begon er plotseling in de cel een licht te
schijnen dat zo fel was als de zon en de ogen van een mens verblindde.
En twee schone jonge mannen kwamen naar hem toe met een gelaat, stralend
als de zon en zeiden tegen
hem: ”Isaki, wij zijn engelen, zie, Christus komt tot je, val neer en buig voor hem”. Maar hij
begreep niet dat het werk van de duivel was en vergat het kruisteken te
maken. Hij stond op en viel op zijn knieën voor de duivelskunstenarij,
als voor Christus. De duivels schreeuwden: “Je bent nu van ons,
Isaki”. Ze voerden hem naar zijn cel, lieten hem zitten en zetten zich
rond hem neer. De cel en de gang van de crypte waren vol duivels. En een
van hen, die Christus werd genoemd, zei: “Neem fluiten, goesli en
tamboerijnen en speel en Isaki
zal voor ons dansen.En de duivels grepen de fluiten, de goesli en de
tamboerijnen en begonnen met hem te spelen. En nadat ze hem hadden afgemat
lieten ze hem half dood achter en gingen weg na hem bespot te hebben. De
volgende dag, toen het licht was geworden en de tijd was gekomen voor
het eten van het heilig brood, kwam Antonij zoals gewoonlijk naar het
raampje en zei: “De Heer Zegene je, vader Isaki”. En er kwam geen
antwoord. Antonij zei: “Zie, hij is al overleden”. En hij liet
Feodosij en de broeders in het klooster roepen. En nadat ze de
dichtgemaakte ingang hadden uitgegraven, tilden ze hem op, in de
veronderstelling dat hij dood was, droegen hem naar buiten en legden hem
voor de crypte neer. Toen ze zagen dat hij hij nog leefde, zei igumen
Feodosij: “Dit moet door duivelskunstenarij gebeurd zijn”. Ze legden
hem op een draagbaar, terwijl Antonius voor hem zorgde. Rond deze tijd gebeurde het dat Izjaslav uit Polen
kwam; hij was kwaad geworden op Antonij vanwege Vseslav.
En ’s nachts liet Svjatoslav Antonij
naar ‡ernigov
brengen. Antonij kwam in ‡ernigov aan en werd aangetrokken door de de Boldiny
heuvels. Hij groef er een onderaardse cel uit en vestigde zich daar. En
daar staat op de Boldiny heuvels het klooster van de heilige Moeder
Gods, tot op de huidige dag. Toen Feodosij vernam dat Antonij naar ‡ernigov
was gevlucht, kwam hij met zijn broeders, nam Isaki op en bracht hem
naar zijn eigen cel. En hij verzorgde hem, want zijn lichaam was zodanig
verzwakt dat hij niet de kracht had om zich op zijn andere zij te
draaien, noch om te staan of te zitten. Maar hij lag op ¾¾n
zij en bevuilde zich; wormen teelden wierig in de urine en de ontlasting
onder zijn lendenen. Maar Feodosij waste en verschoonde hem eigenhandig
en hij deed dit bij hem gedurende twee jaar. Het was zeer wonderbaarlijk
dat Isaki twee jaar lang slechts lag, geen brood tot zich nam, geen
water, geen groente, noch enig ander voedsel, geen woord sprak, maar
doof en stom lag, gedurende twee jaar.
Feodosij nu bad voor hem tot God, dag en nacht bad hij voor hem,
totdat hij in het derde jaar weer voor het eerst sprak, hoorde, op zijn
benen ging staan als een kind en begon te lopen. Hij wilde niet naar de
kerk gaan, maar met dwang trokken ze hem daarheen; en zo wenden
ze hem hier geleidelijk weer aan.
En daarna leerden ze hem naar de eetzaal te gaan, zetten hem
apart van de broeders neer en legden brood voor hem neer. Maar hij nam
het niet, tenzij ze het hem
in handen gaven. Maar Feodosij zei: “Leg het brood voor hem neer, leg
het niet in zijn handen, zodat hij het zelf eet”. Maar gedurende een
week weigerde hij te eten. Nadat hij zich geleidelijk bewust was
geworden van zijn omgeving begon hij van het brood te eten; zo leerde
hij te eten en zo bevrijdde Feodosij hem van de intriges van de duivel.
Isaki nam weer een strenge onthouding aan. Nadat Feodosij was overleden
en Stefan in zijn plaats was gekomen, zei Isaki: “Zie duivel, je hebt
me bedrogen, toen ik alleen in mijn kluis zat; maar ik ben niet meer van
plan me in een onderaardse kluis op te sluiten; ik zal jou overwinnen
door in het klooster te gaan”. En hij hulde zich in een haren hemd en
daarover een juten pij en begon zich zonderling te gedragen. Hij begon
de koks te helpen door voor de broeders te koken. Als hij als
allereerste naar de metten ging stond hij stevig en onbewegelijk. En
toen de winter kwam met strenge vorst stond hij met schoenen waarvan de
zolen zo doorgesleten waren dat zijn voeten vastvroren aan de vloertegel
en hij bewoog zijn voeten niet voordat de metten waren afgelopen. Na de
metten ging hij naar de keuken en maakte vuur, water en brandhout klaar
voordat de keukenbroeders gearriveerd waren. Maar een van de koks, die
eveneens Isaki heette, zei spottend tegen Isaki: “Daar zit een zwarte
raaf, ga en pak hem”. Hij nu boog voor hem naar de grond, ging naar de
raaf pakte hem en en bracht hem bij de verzamelde koks. Geschrokken
vertelden zij het aan de abt en de andere broeders, die respect voor hem
kregen. Maar hij, die geen menselijke roem wilde, begon de idioot uit te
hangen en rare streken uit te halen zowel met de abt en de monniken als
met leken, opdat hij slaag kreeg van de anderen. En hij begon door de
wereld te zwerven, zich ook daar gedragend als een dwaas. Hij nam zijn
intrek in de onderaardse kluis waarin hij
eerder verbleef, want Antonij was al overleden. Hij verzamelde
jonge mannen om zich heen en hulde hen in monnikskleren, zodat hij
klappen kreeg zowel van abt Nikon als van de ouders van die jongeren.
Maar hij duldde dit allemaal, accepteerde klappen, naaktheid en koude,
dag en nacht. Eens op een nacht stak hij de kachel aan in een hutje bij
de kluis en de kachel vatte vlam, omdat hij versleten was. De vlammen
lekten door de barsten van de kachel. Omdat hij niets had om ze dicht te
stoppen, ging hij met zijn blote voeten op de vlammen staan, totdat de
kachel gedoofd was en
stapte er toen vanaf. Veel andere verhalen deden over hem de ronde en
van sommige was ik ooggetuige. Zo overwon hij de demonen en sloeg even
weinig acht op hun verschrikkingen en zinsbegoocherlingen als op
vliegen. Want hij zei tegen hen: “Weliswaar hebben jullie mij de
eerste keer in de kluis bedrogen, omdat ik geen weet had van jullie
intriges en listigheid, maar nu heb ik de steun van de heer Jezus
Christus en van mijn God en van het gebed van mijn vader Feodosij en
vertrouwend op Christus zal ik jullie overwinnen”. Want vaak vielen de
duivels hem lastig en zeiden: “Je bent van ons en je hebt voor ons en
onze leider gebogen”. Maar hij zei: “Jullie leider is de antichrist
en jullie zijn demonen”. Hij maakte het kruisteken op zijn gelaat en
zo verdwenen zij. Soms echter kwamen zij ’s nachts weer bij hem en
joegen hem schrik aan in zijn droom. Zij verschenen als een grote
menigte, met spaden en houwelen, en zeiden: “We zullen deze kluis
uitgraven en deze man hier begraven”. Anderen zeiden: “Vlucht,
Isaki, ze willen je levend begraven”. Maar hij sprak tot hen: “Als
jullie mensen waren, dan waren jullie bij dag gekomen, maar jullie zijn
duisternis en gaan in duisternis en de duisternis zal jullie
opslokken”. Hij maakte het kruisteken over hen en zij verdwenen. Op
andere momenten trachtten ze hem schrik aan te jagen terwijl ze de
gestalte aannamen van een beer, of een wild dier of een os. Soms kropen
ze als slangen naar hem toe, soms als padden, muizen en allerlei ander
ongedierte. Maar ze konden hem niets doen en zeiden tegen hem: “Isaki,
je hebt ons overwonnen”. Hij nu sprak: “De eerste keer hebben jullie
mij overwonnen in de gedaante van Jezus Christus en de engelen, wier
aanblik jullie niet waardig zijn; maar nu verschijnen jullie naar
waarheid in de gestalte van wilde dieren en vee, als slangen en
ongedierte die jullie zijn, afgrijselijk en boosaardig om te zien.” En
onmiddellijk verlieten de duivels hem en vanaf dat moment had hij geen
last meer van demonen. Zoals hij ook zelf verklaarde duurde zijn strijd
met hen drie jaar. Daarna begon hij strenger te leven en als onthouding
vastte en waakte hij. Nadat hij zo zijn laatste levensjaren had
doorgebracht, overleed hij. Hij werd ziek in zijn kluis en ziek droegen
ze hem naar het klooster, waar hij op de achtste dag in de Heer
overleed. Abt Johannes en de broeders legden zijn lichaam af en
begroeven hem. Zo nu waren de monniken van het klooster Feodosij, die ook na hun dood stralen als bakens en tot God bidden voor de hier levende broeders, voor de lekenbroeders en voor hen die aalmoezen geven aan het klooster, waarin de monniken tot op heden hun deugdzaam leven leiden, allen in gemeenschap, in gezang, gebed en gehoorzaamheid, in de glorie van de almachtige God en onder de bescherming van de gebeden van Feodosij, aan wie eeuwige lof toekomt, amen. In 6583 (1075) begon igumen Stefan met de voltooiing van de kerk van het Holenklooster op haar al bestaande fundament; met het bouwen van het fundament was namelijk Feodosij begonnen en hierop ging Stefan verder tot de bouw in het derde jaar op 11 juli voltooid werd. In dat jaar kwamen Duitse gezanten naar Svjatoslav; Svjatoslav nu toonde hun pronkend zijn rijkdommen.[14] Toen zij de ontelbare hoeveelheid goud, zilver en kostbare gewaden zagen, zeiden ze: “Dat dient tot niets, want het is dode waar. Beter dan dit zijn strijders, want mannen zullen meer dan dit verwerven”. Zo pronkte Jezechias, koning van de Joden, ten overstaan van gezanten van de Assyrische koning, maar al zijn rijdommen werden meegenomen naar Babylon; zo ook werd na Svjatoslav’s dood al zijn bezit her en der verstrooid. In 6584 (1076) gingen Vladimir, zoon van Vsevolod, en Oleg, zoon van Svjatoslav, op veldtocht om de Lechen te helpen tegen de Tsjechen. Op 27 december van datzelfde jaar overleed Svjatoslav, zoon van Jaroslav, na een operatie aan een gezwel. Hij werd bijgezet in de kerk van de Heilige Verlosser. En op 1 januari nam Vsevolod de troon over. In
6585 (1077) trok Izjaslav samen met de Lechen ten strijde en rukte
Vsevolod tegen hen op. Boris (zoon van Vya¹eslav)
vestigde zich op 4 mei in ‡ernigov. Hij regeerde acht dagen en vluchtte toen
naar Roman in Tmutorokan’. Vsevolod vertrok naar Volhynië om tegen
zijn broer Izjaslav te strijden. Zij sloten vrede. Izjaslav kwam naar Kiëv
en vestigde zich daar op 15 juli. Oleg, de zoon van
Svjatoslav was bij Vsevolod in ‡ernigov.
In
6586 (1078) vluchtte Oleg, zoon van Svjatoslav, op 10 april voor
Vsevolod naar Tmutorokan’. In hetzelfde jaar werd Gleb, zoon van
Svjatoslav in Zavolo¹’e[15]
gedood. Gleb was goed voor de armen en gastvrij voor
vreemdelingen en hij beijverde zich ten bate van de kerken; hij had een
warm geloof, was zachtmoedig en
mooi van uiterlijk. Zijn lichaam werd op 23 juli bijgezet in ‡ernigov,
achter de kerk van de Verlosser. Terwijl nu Svjatopolk, de zoon van
Izjaslav, in zijn plaats in
Novgorod zetelde, Jaropolk[16]
in Vyëegorod zat en Vladimir[17]
in Smolensk, brachten Oleg en Boris de heidenen naar het Russische land
en trokken met de Polovtsen tegen Vsevolod ten strijde. Vsevolod rukte
tegen hen op tot bij de Soûitsa. De Polovtsen overwonnen Rusland en velen (van
de onzen) werden gedood. Ivan ¦iroslavi¹,
Tuky, de broer van ‡udin,
Porej en veel anderen sneuvelden daar op 25 augustus. Oleg en Boris
trokken naar ‡ernigov,
zich overwinnaars wanend. Maar ze hebben het Russische land veel kwaad
gedaan en christenbloed vergoten, waarvoor God zich op hen zal wreken.
Ze zullen zich moeten verantwoorden voor de gedode christenzielen. Vsevolod
ging naar zijn broer Izjaslav in Kiëv en zij kusten elkaar en zetten
zich neer. Vsevolod
vertelde hem alles wat was gebeurd en daarop zei Izjaslav: “Broer,
treur niet. Zie wat mij allemaal overkomen is. Hebben ze mij niet eerst
verdreven en van mijn bezittingen beroofd. En nogmaals, wat heb ik dan
misdaan?Ben ik niet verdreven door jullie, mijn broers? Heb ik niet door
andere landen gezworven, beroofd van mijn bezit, zonder iets kwaads te doen? Nu dan broer, laten we ons niet overgeven aan
verdriet. Als ons een aandeel toekomt in het Russische land, dan aan ons
beiden. Als we onteigend worden, dan wij beiden. Ik ben bereid mijn
leven voor je te geven”. Met deze woorden troostte hij
Vsevolod en hij beval zijn soldaten, van klein tot groot, zich te
verzamelen. Hierna trokken Izjaslav
met zijn zoon Jaropolk en Vsevolod met zijn zoon Vladimir op naar ‡ernigov,
waar de inwoners zich in de stad hadden verschanst. Maar Oleg en Boris
waren daar niet. Omdat de inwoners van ‡ernigov de poorten niet openden, vielen de broers de
stad aan. Vladimir viel de oostelijke poort aan van de kant van de beek
en slaagde erin de poort te openen. Ze bezetten het buitenste stadsdeel
en staken het in brand, terwijl het stadsvolk naar de binnenstad
vluchtte. Izjaslav en Vsevolod hoorden toen dat Oleg en Boris tegen hen
optrokken. Om hen voor te zijn trokken Izjaslav en Vsevolod Oleg vanuit
de stad tegemoet. Oleg echter zei tegen Boris: “Laten we niet ten
strijde trekken, we zijn immers niet opgewassen tegen vier vorsten.
Laten we daarentegen een verzoek aan onze ooms richten.” Maar Boris
antwoordde: “Zie, ik sta paraat, ik zal tegen hen allen in het
strijdperk treden.” Hij pochte zeer, niet wetende dat God zich keert
tegen trotse mensen, maar aan nederigen genade schenkt, opdat niet de
sterke pronkt met zijn kracht. En zij trokken ten strijde. Toen zij op
een plaats waren bij het dorp aan de wei van Neûata raakten beide legermachten slaags en was er een
vreselijke veldslag. Eerst doodden ze Boris, de zoon van Vya¹eslav,
die zo had gesnoefd. Terwijl Izjaslav bij de voetknechten stond, kwam
plotseling een ruiter
alleen aanrijden en trof hem met een speer in de schouder. Zo sneuvelde
Izjaslav, zoon van Jaroslav. Terwijl de slag voortduurde, ontvluchtte
Oleg met een klein gevolg. Hij ontkwam ternauwernood en vluchtte naar
Tmutorokan’. Vorst Izjaslav sneuvelde op 3 oktober. Ze namen zijn
lichaam op en vervoerden het per boot naar Gorodets[18]
en legden het voor de stad neer. De hele stad Kiëv liep uit, hem
tegemoet. Hij werd op een slede gelegd; priesters en monniken
begeleidden hem met gezang naar de stad. En het gezang was niet te horen
in het hevige geween en geweeklaag; want de hele stad Kiëv beweende
hem. Jaropolk liep achter hem aan en huilde met zijn druûina: “Vader, mijn vader, hoe lang heb je zonder
verdriet op deze wereld geleefd? Je kreeg immers veel ongeluk van de mensen en van je broers te verduren. Maar
nu ben je niet door toedoen van een
broer omgekomen , maar heb je voor een broer je leven
gegeven.”. En ze droegen hem ten grave in de kerk van de Heilige
Moeder Gods, waar ze hem in een marmeren kist legden. Izjaslav
had een knap gelaat en een imposante gestalte. Hij was goedaardig,
verafschuwde de onoprechte en hield van rechtvaardigheid. Er was geen
list in hem, maar hij was eerlijk en
vergold geen kwaad met kwaad. Wat de inwoners van Kiëv hem ook
hadden aangedaan - ze hadden
hem verjaagd en zijn huis leeggeroofd- hij vergold dit niet met kwaad.
Als iemand u zegt: de beul heeft (mensen) afgeslacht, dan heeft niet hij
dat gedaan maar zijn zoon. Nogmaals, het waren zijn broers die hem
verjoegen en hij trok daarna zwervend door vreemde landen. En toen hij
weer op zijn troon zat en Vsevolod op de vlucht bij hem kwam, vergold
hij diens kwaad niet met kwaad, maar troostte hij hem met de woorden:
“Broer, hoeveel liefde heb je mij getoond, je hebt me naar mijn troon
gevoerd en je hebt me je meerdere genoemd. Ik zal dus geen eerdere kwade
daden in het geheugen roepen, want jij bent mijn broer en ik de jouwe,
en ik zal mijn leven voor je geven”. Zo gebeurde ook. Hij zei immers
niet tegen hem: “Hoeveel kwaad hebben jullie beiden
mij aangedaan? En dit is nu ook jou overkomen”. Hij zei niet:
“Dit gaat mij niet aan”. Maar hij nam het verdriet van zijn broer op
zijn schouder en toonde hiermee zijn grote liefde en vervulde het woord
van de apostel, die zei: “Troost de bedroefden”. Werkelijk, als hij
op deze wereld enige zonde heeft gepleegd, zal het hem vergeven worden,
omdat hij zijn leven gaf voor zijn broer, niet omdat hij een groter
gebied verlangde of grotere rijkdom, maar omwille van de vernedering zijn broer
aangedaan. Over zulke mannen zegt immers de Heer: “Dat hij zijn leven
geeft voor zijn vrienden”. Saolomo
nu zei: “Broeders komen elkaar in nood te hulp”. Want liefde is het
allerhoogst. Zoals ook Johannes zegt: “God is liefde, hij die in
liefde verblijft, verblijft in God en God in hem.” Hierin wordt de
liefde volmaakt, opdat we een erfenis hebben op de dag des oordeels,
opdat, zoals hij is, ook wij zijn in deze wereld. In liefde schuilt geen
angst, maar volmaakte liefde verdrijft de angst, omdat angst kwelling in
zich draagt. “Hij die vreest is niet volmaakt in liefde. Als iemand
zegt: Ik heb God lief, maar ik haat mijn broer, dan is het een leugen.
Hoe kan iemand die niet houdt van zijn broer, die hij ziet, wel houden
van God, die hij niet ziet? Dit gebod hebben wij van hem,
dat hij die God liefheeft ook zijn broeder liefheeft. Want in de
liefde wordt alles volmaakt. Door liefde worden zonden teniet gedaan.
Want uit liefde daalde de Heer af naar de aarde en werd hij voor ons
zondaars gekruisigd. Nadat hij onze zonden op zich had genomen werd hij
aan het kruis genageld en gaf hij ons het kruis voor het verjagen van de
duivelse haat. Uit liefde hebben de martelaren hun bloed vergoten voor
hun broer, daarmee het gebod van de Heer uitvoerend. Begin
van de regering van Vsevolod in Kiëv. Vsevolod
zette zich neer op de troon van zijn vader en zijn broer en nam de
heerschappij over heel Roes’ op zich. Hij stelde zijn zoon Vladimir
aan in ‡ernigov
en Jaropolk in Vladimir en gaf hem daarbij nog Turov.[19]
In
6587 (1079) trok Roman met de Polovcen op tot bij Voïn.[20]
Vsevolod echter hield halt bij Perejaslavl’ en sloot vrede met de
Polovcen. Roman keerde terug met de Polovcen
en dezen doodden hem op 2 augustus. Tot op heden liggen zijn
beenderen daar, van de zoon van Svjatoslav, de kleinzoon van Jaroslav. Oleg werd door de Chazaren gevangen genomen. Zij stuurden hem
over zee naar Tsar’grad (Constantinopel).[21]
Vsevolod stelde Ratibor[22]
aan als stadhouder over Tmutorokan’.
[1] Steden gelegen ten zuid-westen van Kiëv. [2] Stad in het vorstendom Polotsk. [3] De volgende lange passage over het verschijnen van waarzeggers in Beloozero, het verhaal over het bezoek van de tovenaar aan Novgorod en en dat over de komst van een waarzegger bij vorst Gleb in Novgorod, worden door de kroniekschrijver niet op historische gronden onder dit jaar vermeld, maar omdat hij, met een stichtelijk oogmerk, alle verhalen over waarzeggers en tovenaars op een plaats wilde samenbrengen. [4] Licha¹ev verwijst als verklaring naar een heidens offer- en oogstritueel, waarbij gehuwde vrouwen een klein deel van de oogst, jacht of visvangst, in linnen zakken stoppen, deze met koorden vastknopen en de zakken van hun ontblote schouders laten afhangen. Door heidense priesters worden de koorden doorgesneden en de zakken in ontvangst genomen. [5] De kosten van levensonderhoud van belastinginners, hun assistenten en gewapend gevolg waren voor rekening van de door hen bezochte stad. Dit maakt het dreigement zo effectief. [6] Het afscheren of uitrukken van de baard gold in het oude Roes' als een zeer zware vernedering. [7] Deze aansporing van Jan tot het plegen van bloedwraak komt overeen met het eerste artikel uit de Russkaja Pravda, de eerste, aan Jaroslav de Wijze toegeschreven, Russische Codex. In dit artikel wordt de bloedwraak aan naaste bloedverwanten gesanctioneerd: "Wanneer een vrij man een vrij man doodt, is het aan de broer de broer, aan de zoon de vader of aan de vader zijn zoon of die van zijn broer of zuster te wreken; wanneer er niemand is om wraak te nemen, dan 40 grivna voor een moord." [8] Gleb, zoon van Svjatoslav, was in 1065 gedurende een korte periode vorst van Tmutorokan'. Van 1069 tot 1078 was hij vorst van Novgorod. [9] Volgens de kronieken, die teruggaan op de Novgorodse redactie (svod) uit de vijftiende eeuw, luidde de naam van de bisschop Fedor. [10] Abt, overste van een klooster. De igumen wordt door de broeders van het klooster voor het leven gekozen. De uitverkiezing wordt door de plaatselijke bisschop bevestigd. [11] Lichacev verwijst in zijn commentaar naar M.N. Tichomirov, die van mening is dat "het kerkelijke feest verband zou kunnen houden met de oplossing van zuiver politieke problemen" en dat bij deze vergadering in Vyšgorod de Codex der Jaroslavi_en werd vastgesteld (Issledovanie o Russkoj Pravde, Moskou-Leningrad 1941, pp. 64-65). [12] Boris en Gleb waren in 1015 bijgezet in de kerk van de Heilige Basilius in Vyšgorod. Naar welke kerk hun resten werden overgebracht is niet duidelijk. [13] De Ipatievskaja Letopis' noemt 20 mei als datum voor het overbrengen van de relikwieën. In 1072 viel 20 mei op een zondag en plechtigheden als deze konden slechts op zondag plaatsvinden. Dezelfde datum, 20 mei, wordt ook in Nestors "Vertelling over Boris en Gleb" genoemd. Vermoedelijk heeft een latere kroniekschrijver de overbrenging van 1072 verward met die van 1115, welke inderdaad op 2 mei plaatsvond. [14] Hoofd van het gezantschap, afgevaardigd door de Duitse keizer Hendrik IV, was bischop Burchard van Trier. De delegatie was uitgezonden om de aanspraken van Izjaslav, die op dat moment in het Duitse rijk gastvrijheid genoot, te onderzoeken. Svjatoslav gaf Burchard een schat aan goud, zilver en gewaden mee voor Hendrik IV, opdat deze zich zou onthouden van steun aan Izjaslav. [15] Gebied ten oosten van de grote meren in Noord-Rusland, bewoond door Finse stammen.. [16] Oudste zoon van Izjaslav, die in 1075 door zijn vader naar Rome was gestuurd om de steun te verkrijgen van Paus Gregorius VII. [17] Vladimir Monomach, zoon van Vsevolod. [18] Voorstad van Kiëv aan de oostelijke oever van de Dnjepr, ten zuiden van de monding van de Desna. [19] Als laatst overgebleven zoon van Jaroslav heerste Vsevolod over vrijwel alle Russische districten die met Kiëv verbonden waren. Hij liet Novgorod aan Izjaslav’s zoon Svjatopolk, Vladimir en Turov (aan de Pripet) gaf hij in handen van diens broer Jaropolk. Via zijn zoon Vladimir Monomach behield hij controle over ‡ernigov en Perejaslavl’. Hij stelde zo de zonen van Izjaslav tevreden. De resterende 15 jaar van zijn regeerperiode werden verstoord door herhaalde conflicten met andere neven, die niet beloond waren met de heerschappij over belangrijke gebieden. [20] Stad, gelegen op ca. 12 km. ten zuiden van Perejaslavl’. [21] Volgens informatie van abt Daniil, die in de periode van 1106 tot 1108 naar Palestina reisde, werd Oleg Svjatoslavi¹ vanuit Constantinopel naar het eiland Rhodos verbannen. Hier toonde men Daniil de plaatsen waar Oleg “twee zomers en twee winters” had gewoond. Kennelijk kozen de Grieken de zijde niet alleen van de Chazaren, die ontevreden waren over de aanwezigheid van Oleg in Tmutorokan’, maar ook van Vsevolod, die gelieerd was aan het Byzantijnse keizerlijke huis. In 1083 keerde Oleg terug naar Roes’ in gezelschap van Theophano van Muzalon, zijn tweede echtgenote. [22] In het Zuiden van Rusland zijn meerdere loden zegels gevonden met de beeltenis van Ratibor, waaruit zijn administratieve voortvarendheid blijkt. In 1081 echter wordt hij in Tmutorokan’ gevangen genomen door David Igorevich en Volodar’ Rostislavi¹. Zijn latere daden worden weergegeven in de Nestorkroniek onder de jaren 1095 en 1100. In 1113 neemt hij deel aan het opstellen van de Ustav van Monomach. Bekend is ook zijn zoon Ol’beg Ratibori¹. |
|