|
In
het jaar 6599 (1091) belegden de igumen en monniken een vergadering en
zeiden: “ Het is niet goed dat onze vader Feodosi buiten het klooster
en zijn kerk ligt, omdat hij het is die de kerk gesticht en de monniken
samengebracht heeft.” Nadat
ze vergaderd hadden lieten ze een plaats inrichten, waar ze zijn
beenderen konden neerleggen. Drie dagen voor het feest van Maria
Hemelvaart gaf de igumen opdracht te graven op de plek waar de beenderen
van onze vader Feodosi lagen. Ik, zondaar, was als eerste getuige van
deze opdracht. Wat ik hier ga zeggen heb ik niet bij geruchte vernomen,
maar ik was zelf initiatiefnemer. Toen nu de igumen bij me kwam en zei:
“Laten we naar het hol van Feodosi gaan.”, ging ik met hem
mee, zonder dat iemand hiervan op de hoogte was. We keken rond waar we
moesten graven en markeerden een plek om te graven, naast de ingang. En
de igumen zei tegen me: “ Je mag het aan niemand van de broeders
vertellen, opdat niemand hier weet van heeft; maar kies wie je wil, om
je te helpen.” Op die dag bracht ik spaden in gereedheid om hiermee te
graven. Op dinsdagavond tijdens de schemering nam ik twee broeders mee,
zonder dat iemand het wist, en ging naar het hol.
Na het zingen van psalmen, begon ik te graven. Wanneer ik moe
werd gaf ik de spa aan een andere broeder. We groeven tot middernacht en
spanden ons in, maar vonden niets. Ik begon me zorgen te maken dat we op
de verkeerde plek aan het graven waren. Toen nam ik de spade en begon
ingespannen te graven, terwijl mijn metgezel voor het hol uitrustte. Hij
zei dat er op de simandron geslagen werd. En op dat moment stuitte ik op
het gebeente van Feodosi. Toen hij opmerkte dat ze op de simandron
sloegen, zei ik: “Ik heb het al gevonden”. Toen ik op het gebeente
stuitte, werd ik door vrees bevangen en begon te roepen: “Heer ontferm
u.” Op dat ogenblik zaten twee broeders in het klooster in de richting
van het hol te kijken en wachtten het moment af dat de igumen de resten
in het geheim met anderen zou overbrengen. Toen er op de simandron werd
geslagen, zagen ze hoe drie zuilen als lichtgevende bogen
opkwamen en bleven staan boven de kerk, waar Feodosi neergelegd
was. Op dat moment zag Stefan, die Feodosi als abt was opgevolgd – hij
was toen bisschop – vanuit het klooster over het veld een groot licht
stralen boven het hol. Hij meende dat ze Feodosi overbrachten, want dat
was hem een dag eerder medegedeeld. Omdat hij betreurde dat de
overbrenging buiten zijn aanwezigheid geschiedde, besteeg hij zijn paard
en spoedde zich op weg. Kliment, die hij in zijn plaats als igumen had
aangesteld, nam hij mee en al rijdend zagen zij de grote lichtstraal. En
toen zij dichterbij kwamen zagen zij vele lichten boven het hol, maar
daar aangekomen zagen ze niets. Ze daalden in de groeve af, terwijl wij
daar bij zijn gebeente zaten. Want toen ik op zijn gebeente gestuit was,
zond ik aan de igumen de boodschap dat hij moest komen opdat we hem uit
het graf zouden halen. De abt kwam met twee broeders. En ik groef een
wijde opening en we kropen daarin en zagen zijn gebeente liggen. Maar
zijn ledematen waren niet uiteengevallen en zijn hoofdhaar was vast
blijven zitten. Nadat ze
hem op een mantel hadden neergelegd, werd hij op de schouder geheven
naar buiten gedragen en voor de groeve neergelegd. De volgende dag
verzamelden zich de bisschoppen Efrem van Perejaslavl’, Stefan van
Vladimir, Ioan van ‡ernigov,
Marin van Jur’jev en de abten van alle kloosters samen met de
monniken. Ook het rechtgelovige volk kwam en men nam de stoffelijke
resten van Feodosi op met wierook en met kaarsen. Ze droegen hem weg en
zetten hem bij in zijn kerk, in een zijkapel aan de rechterzijde. Dit
geschiedde op 14 augustus, op donderdag om 1 uur, in het veertiende
jaar van de indictie, in het jaar …. En men vierde deze dag op
feestelijke wijze. Nu
zal ik in het kort vertellen hoe een voorspelling van Feodosi in
vervulling ging. Toen Feodosi bij leven igumen was en de hem door God
toevertrouwde kudde der monniken leidde, bekommerde hij zich niet alleen
om hen, maar ook om de leken en om hun ziel, dat ze gered zouden worden.
Vooral echter bekommerde hij zich om zijn geestelijke zonen, door hen
die bij hem kwamen te troosten en soms door hen thuis te bezoeken en
zijn zegen te geven. Op een keer ging hij naar het huis van Jan om hem
en zijn vrouw Maria te bezoeken , - want Feodosi hield van hen, omdat
zij leefden overeenkomstig het gebod van de Heer en volhardden in hun
liefde voor elkaar – eens ging hij dus naar hen toe en onderrichtte
hen over het geven van aalmoezen aan de armen, over het koninkrijk der
hemelen dat de gerechtigen zullen erven, over de kwelling voor de
zondaars en over het uur van de dood. En toen hij besprak hoe hun
lichaam in het graf gelegd zou worden, zei de echtgenote van Jan: “Wie
weet waar ze mij zullen begraven?” Feodosi nu antwoordde haar:
“Voorwaar, waar ik zal rusten, daar zul ook jij te rusten gelegd
worden.” En dit ging in vervulling. Want achttien jaar na het
overlijden van de igumen kwam de voorspelling uit: in dat jaar stierf de
vrouw van Jan, Maria genaamd, op 16 augustus. En de monniken kwamen,
droegen haar weg onder het zingen van de gebruikelijke gezangen, en
begroeven haar in de kerk van de H. Moeder Gods tegenover het graf van
Feodosi, aan de linkerzijde. Feodosi immers was op 14 maar zij op 16
augustus begraven. Zo
ging de voorspelling van onze zalige vader Feodosi in vervulling, de
goede herder, die zijn geestelijke schapen zonder te huichelen weidde,
zachtmoedig en met aandacht. Hij behoedde hen en waakte over hen,
terwijl hij bad voor de hem toevertrouwde kudde, het christelijk volk en
voor het land van Rus’. Na je heengaan uit dit leven bid je voor de
gelovigen en je leerlingen, die naar je tombe kijkend, zich je leer en
ascese herinneren en God verheerlijken. Maar ik, je zondige knecht en
leerling, weet niet hoe ik je deugdzame leven en ingetogenheid
moet prijzen. Maar dit weinige wil ik zeggen: “Verheug je, onze
vader en leraar, die de wereldse onrust heeft afgewezen en het zwijgen
heeft gekoesterd. Je hebt God gediend in de stilte van het monnikenleven
en alle goddelijke gaven heb je verworven. Door te vasten heb je je
verheven, heb je vleselijke hartstochten en lusten gehaat en de
schoonheid van de wereld en het verlangen ernaar verworpen. Je trad
hiermee in de voetsporen van de verheven vaderen en wedijverde met hen.
Door te zwijgen heb je je verheven, door nederigheid heb je je gesierd
en met de woorden van de Schrift heb je je verblijd. Verheug je, jij die
jezelf versterkt hebt door
hoop op de eeuwige goederen, die je ontvangen hebt, jij die de
vleselijke lust hebt gedood, de bron van ontucht en onrust.
Eerbiedwaardige, jij die aan de intriges van de duivel en aan zijn net
bent ontsnapt, vader, met de rechtvaardigen heb je een rustplaats
gevonden en loon ontvangen
voor je werken, als opvolger van de vaderen. Hun leer, leefwijze en
matiging heb je gevolgd en hun regel gehandhaafd.” Meer nog, in
karakter en leefwijze heb je met de grote Theodosios[1]
gewedijverd, door zijn leven en ascese te imiteren, zijn manier van doen
te volgen en door jezelf al werkend te vervolmaken, terwijl je de
reguliere gebeden tot God richtte en in een geur van welriekendheid het
wierookoffer van je gebed bracht, als zalig ruikende wierook. Je hebt
het wereldse verlangen en de wereldheerser en vorst van deze tijd
overwonnen , door onze vijand, de duivel, met zijn listen te vertrappen.
Je hebt je als overwinnaar getoond, door zijn vijandige pijlen en zijn
trotse plannen te trotseren, waarbij je werd gesterkt door het wapen van
het kruis, door een
onoverwinnelijk geloof en
door Gods hulp. Bid voor mij, eerbiedwaardige vader, dat ik bevrijd mag
worden uit het net van de duivel en bewaar mij voor deze vijandige
tegenstander, door je gebeden. In
dat jaar, op 21 mei om 2 uur, was er een teken in de zon; het was alsof
hij verdween. Er bleef weinig van de zon over en hij was als de maan. In
hetzelfde jaar geschiedde het dat Vsevolod achter Vyëegorod
op wilde dieren aan het jagen was. Toen de mannen strikken zetten en de
drijvers schreeuwden, viel er een enorme slang uit de hemel. En alle
mensen raakten in ontzetting. Tegelijkertijd begon de aarde zo te
dreunen, dat velen het hoorden. In hetzelfde jaar verscheen er in Rostov
een tovenaar, die spoedig omkwam. In
het jaar 6600 (1092) gebeurde er in Polotsk een buitengewoon wonder: er
ontstond ’s nachts rumoer
doordat demonen al kreunend als mensen over straat renden. Als iemand
zijn huis uitkwam om te kijken, werd hij zonder hen te zien door de
demonen verwond en stierf. En de mensen durfden hun huis niet meer te
verlaten. Hierna begonnen ze overdag te paard te verschijnen. Zelf waren
ze niet te zien, maar van hun paarden waren de hoeven zichtbaar. Zo
brachten ze verwondingen toe aan de inwoners van Polotsk en zijn
omgeving. Daarom zeiden de mensen ook dat de doden de Polo¹anen
vermoordden. Dit verschijnsel deed zich het eerst voor in Drjuck. In die
tijd was er een teken aan de hemel, als een enorme cirkel temidden van
het uitspansel. In hetzelfde jaar was er een zo hevige droogte dat de
aarde verbrandde en veel dennenbossen en moerassen vanzelf in brand
raakten. Er waren veel tekenen op diverse plaatsen. En er was een grote
oorlog met de Polovcen die overal vandaan kwamen.Ze namen drie steden
in: Peso¹en,
Perevoloka, Priluk[2]
en verwoestten veel dorpen aan beide oevers van de Dnepr. In dit jaar
voerden de Polovcen samen met Vasilko, zoon van Rostislav, oorlog tegen
de Lechen. In hetzelfde jaar stierf Rostislavs zoon Rjurik. In die
stierven veel mensen aan uiteenlopende ziektes, zodat de verkopers van
doodskisten zeiden: “ Van St. Filipsdag[3]
tot de Vasten hebben we zeven duizend doodskisten verkocht.” Dit is
geschied vanwege onze zonden, omdat onze zonden en ongerechtigheden zich
hebben vermeerderd. God heeft dit over ons gebracht, omdat hij wil dat
we berouw hebben en ons onthouden van zonde, afgunst en andere kwade
zaken van de duivel. In
het jaar 6601 (1093), het eerste jaar van de indictie, overleed
grootvorst Vsevolod, zoon van Jaroslav, kleinzoon van Vladimir,
op 13 april en op 14 april werd hij begraven. Het was op donderdag in de
Goede Week dat hij in een tombe werd gelegd in de grote kerk van de
Heilige Sophia. Deze vrome vorst Vsevolod was vanaf zijn jeugd vol
liefde voor God geweest. Hij hield van gerechtigheid, zorgde voor de
armen en eerbiedigde bisschoppen en priesters. In het bijzonder hield
hij van de monniken en gaf hun waaraan ze behoefte hadden. Ook onthield
hij zich van dronkenschap en wellust. Daarom was hij geliefd bij zijn
vader, zodat deze tegen hem zei: “Mijn zoon, gezegend ben je, omdat ik
hoor van je zachtmoedigheid en me verheug dat je rust brengt in mijn
ouderdom. Als God jou vergunt de macht van mijn troon na je broers te
ontvangen, rechtmatig, niet met geweld, dan zul je, wanneer God je uit
dit leven wegvoert, liggen waar ook ik zal neerliggen, naast mijn tombe.
Want ik houd meer van jou dan van je broers.” En nu is het woord van
zijn vader in vervulling gegaan, zoals hij heeft gezegd. Na al zijn
broers kreeg hij de troon van zijn vader, na de dood van zijn broer.
Toen hij als vorst in KiÁv heerste, had hij grotere zorgen dan toen hij in
Perejaslavl zetelde. In KiÁv bezorgden zijn neven hem zwarigheden, doordat ze
hem begonnen lastig te vallen met machtsaanspraken; dezen wilden dit
deel, anderen dat. En hij gaf hun, om ze tot bedaren te brengen, delen
van zijn gebied. In deze misÀre werd hij ook nog door ziektes getroffen en begon
de ouderdom zijn tol te eisen. En hij ging de manier van denken van de
jongeren waarderen en trad met hen in overleg. Maar zij begonnen hem
ertoe te brengen zijn vroegere vertrouwelingen te negeren en het volk
had geen toegang meer tot de gerechtigheid van de vorst. Die jonge
lieden begonnen het volk te
beroven en het te verkopen, maar hij had hier vanwege zijn ziekte geen
weet van. Toen hij ernstig ziek was geworden ontbood hij zijn zoon
Vladimir in ‡ernigov.
Toen Vladimir was gearriveerd en zag hoe zwaar ziek zijn vader was
barstte hij in tranen uit. Vladimir en zijn jongste zoon Rostislav zaten
bij hem en toen zijn uur gekomen was overleed hij kalm en vreedzaam en
werd met zijn vaderen verenigd. Hij had vijftien jaar in KiÁv en ¾¾n
jaar in Perejaslavl’ en ‡ernigov
geregeerd. Nadat Vladimir en zijn broer Rostislav hem hadden beweend,
legden zij zijn lichaam af. Toen verzamelden zich de bischoppen,
igumens, monniken, priesters, bojaren en het gewone volk, ze namen zijn
lichaam op met de gebruikelijke gezangen en zetten hem bij in de H. Sofia,
zoals we eerder verteld hebben. Vladimir
begon na te denken en zei tegen zichzelf: “ Als ik plaats neem op de
troon van mijn vader, zal ik in oorlog raken met Svjatopolk, omdat het
eerder de troon was van zijn vader.” Dit overwegende ontbood hij
Svjatopolk uit Turov, en ging zelf naar ‡ernigov, terwijl Rostislav naar Perejaslavl’ ging.
En toen Pasen en de Goede Week voorbij waren, op de eerste zondag na
Pasen, op 24 april, kwam Svjatopolk in KiÁv aan. De inwoners van KiÁv
kwamen hem vol eerbied tegemoet, ze ontvingen hem met vreugde en hij nam
plaats op de troon van zijn vader en van zijn oom. In die tijd kwamen de
Polovcen naar het land van Rus’; toen ze gehoord hadden dat Vsevolod
was overleden, stuurden ze gezanten naar Svjatopolk voor
vredesonderhandelingen. Svjatopolk beraadslaagde echter niet met de
oudere druûina van zijn vader en oom, maar met hen die met hem
meegekomen waren, nam de gezanten gevangen en sloot ze op in een hut.
Toen de Polovcen dit hoorden begonnen ze oorlog te voeren. De Polovcen
kwamen met een groot aantal strijders en omsingelden de stad Tor¹esk.
Svjatopolk liet toen de gezanten vrij, omdat hij vrede wenste. Maar de
Polovcen wilden geen vrede en wonnen al vechtend terrein. Svjatopolk
begon toen strijders te recruteren, omdat hij tegen hen wilde vechten.
En de verstandige mannen zeiden tegen hem: “ Probeer niet de strijd
met hen aan te gaan, want je hebt te weinig krijgsvolk.” Hij echter
antwoordde: “Ik heb mijn zevenhonderd mannen, die hun kunnen
weerstaan.” Toen namen anderen, zonder veel ervaring, het woord en
zeiden: “Trek op, vorst.” De verstandigen echter zeiden: “Al zou
je achtduizend man uitrusten, dan zou dat nog niet te veel zijn; ons
land is verarmd door oorlog en geldstraffen. Vraag om hulp van je neef
Vladimir.” Vladimir verzamelde toen zijn troepen, stuurde een bode
naar zijn broer Rostislav in Perejaslavl’ en gebood hem Svjatopolk te
hulp te komen. Toen Vladimir in KiÁv
was aangekomen, troffen zij elkaar bij het H. Michailklooster en kregen
samen onmin en ruzie. Maar zij legden hun conflict bij en kusten samen
het kruis, terwijl de Polovcen plunderend door het land trokken. De
verstandige mannen nu zeiden tegen hen: “Waarom hebben jullie
onderling twist? De heidenen verwoesten het land van Rus’. Jullie
kunnen later tot overeenstemming komen, maar nu moeten jullie de
heidenen tegemoet treden, om vrede te sluiten of oorlog te voeren.”
Vladimir wilde vrede, maar Svjatopolk gaf de voorkeur aan oorlog.
Svjatopolk, Vladimir en Rostislav trokken naar Trepol’ en kwamen aan
bij de rivier de Stugna. Svjatopolk, Vladimir en Rostislav riepen toen
hun druûina
bijeen voor krijgsraad, omdat ze de rivier wilden oversteken en begonnen
te beraadslagen. Vladimir sprak aldus: “Nu we aan deze zijde van de
rivier tegenover een dergelijke dreiging staan, laten we vrede met hen
sluiten. De verstandige mannen, Jan en de anderen , steunden dit advies.
De mannen van KiÁv
echter namen het niet aan en zeiden: “ We willen vechten, laten we
oversteken naar de andere kant van de rivier”. Men gaf de voorkeur aan
dit laatste voorstel en ze staken de Stugna over, waarvan het water zeer
hoog stond. Svjatopolk, Vladimir en Rostislav trokken op nadat ze hun
druûina hadden opgesteld. Op de rechterflank marcheerde
Svjatopolk op, op de linkerflank Vladimir en Rostislav in het midden. En
nadat ze Trepol’ gepasseerd waren , trokken ze over de wal. Op dat
moment gingen de Polovcen in de aanval met hun boogschutters in de
voorhoede. De onzen hielden halt tussen de wallen, hieven hun vaandels
en de boogschutters kwamen achter de wal vandaan. De Polovcen, die naar
de wal gekomen waren, hieven hun vaandels, vielen eerst Svjatopolk aan
en doorbraken zijn linies. Svjatopolk hield stevig stand maar zijn
krijgsvolk sloeg op de vlucht, omdat ze niet bestand waren tegen de
aanval van de vijand, waarna ook Svjatopolk vluchtte. Daarna vielen ze
ook Vladimir aan en er brak een hevige strijd uit. Ook Vladimir en
Rostislav en zijn strijders sloegen op de vlucht. Ze vluchtten naar de
rivier de Stugna. Vladimir en Rostislav liepen de rivier in en Rostislav
begon voor de ogen van Vladimir te verdrinken. Hij wilde zijn broer
vastgrijpen en verdronk bijna zelf. En Rostislav, zoon van Vsevolod,
verdronk. Vladimir echter zwom de rivier over met een klein gevolg,
omdat velen uit zijn strijdmacht en ook bojaren om waren gekomen. Nadat
hij de andere kant van de Dnepr bereikt had weende hij om zijn broer en
zijn druûina en vertrok zeer bedroefd naar ‡ernigov.
Svjatopolk echter vluchtte naar Trepol’ en verschanste zich daar. Hij
bleef er tot de avond en diezelfde nacht kwam hij aan in KiÁv.
Toen de Polovcen zagen dat ze de overwinning hadden behaald, trokken ze
plunderend door het land, maar anderen keerden terug naar Tor¹esk. Dit kwaad geschiedde op de dag van de Hemelvaart
van onze Heer Jezus Christus, op 26 mei. Zij die Rostislav zochten
vonden hem in de rivier; ze haalden hem eruit en brachten hem naar KiÁv.
Zijn moeder beweende hem en alle mensen treurden hevig om hem vanwege
zijn jeugd. En de bisschoppen, priesters en monniken zetten hem bij in
de H. Sofiakerk, naast zijn vader. De Polovcen belegerden toen Tor¹esk, terwijl de Torken weerstand boden, vanuit de
stad flink terugsloegen en veel vijanden doodden. Maar de Polovcen
begonnen aan te dringen en sloten de watertoevoer af, zodat de mensen in
de stad begonnen te verzwakken door dorst en honger.En de Torken
stuurden bodes naar Svjatopolk met de volgende boodschap: “ Als je ons
geen voedsel stuurt, moeten we ons overgeven.” Svjatopolk stuurde hun
voedsel, maar het was onmogelijk om in de stad binnen te dringen vanwege
het grote aantal vijandelijke krijgers. Negen weken belegerden ze de
stad, waarna ze zich opsplitsten: de ene groep bleef bij de stad om
strijd te leveren en de andere groep trok naar KiÁv
en plunderde het land tussen KiÁv en Vyëegorod.
Svjatopolk deed een uitval in de richting van de rivier de ¦elan’.
Beide legers trokken elkaar tegemoet en gingen het gevecht aan en er
ontbrandde een hevige strijd. Onze mannen sloegen op de vlucht voor de
vreemdelingen en vielen gewond voor onze vijanden neer. Velen sneuvelden
en er vielen meer doden dan bij Ternopol’. Svjatopolk echter kwam met
twee metgezellen aan in KiÁv
en de Polovcen keerden terug naar Tor¹esk. Deze catastrofe vond plaats op 23 juli. De
volgende dag, 24 juli, op het feest van de H. Martelaren Boris en Gleb,
heerste er geen vreugde maar grote droefheid in de stad, vanwege onze
grote zonden en onrecht en de vermeerdering van onze wandaden. Zo
liet God de heidenen over ons komen, niet omdat hij hen lief had, maar
als straf voor ons, opdat we ons zouden onthouden van slechte daden. Zo
bestraft hij ons met de inval van de heidenen. Want zij zijn zijn gesel,
opdat wij tot bezinning komen en ons afkeren van de weg van het kwaad.
Om die reden bezorgt hij ons op feestdagen rouw, omdat in dit jaar het
eerste onheil, dat in Ternopol, geschiedde op het feest van de
Hemelvaart van de Heer en het tweede op de feestdag van Boris en Gleb,
wat het nieuwe feest is van het land van Rus’. Daarom zei de profeet:
“ Ik zal uw feestdagen veranderen in geweeklaag en uw gezangen in
geween”. Want een hevig geweeklaag weerklonk in ons land, onze dorpen
en steden werden verlaten en we waren op de vlucht voor onze vijanden.
Zoals de profeet zei: “ Gij zult vallen voor uw vijanden, zij die u
haten zullen u opjagen en gij zult vluchten zonder dat iemand u
vervolgt. Ik zal de bruutheid van uw trots breken en uw kracht zal
verspild zijn. Het zwaard van de vreemde zal u doden, uw land zal braak
liggen en uw hoven zullen leeg zijn. Omdat gij nietswaardig bent en
boosaardig en ik zal tot u komen met boze woede.” Zo spreekt de Heer,
de God van IsraÁl. Want de kwaadaardige zonen van Ismael
hebben dorpen en voorraadschuren in brand gestoken en ze lieten
vele kerken in vlammen opgaan. Laat niemand zich daarover verwonderen,
want waar veel gezondigd wordt daar is straf van allerlei soort. Daarom
werd de wereld uitgeleverd, daarom heeft de toorn Gods zich verbreid en
daarom werd het land gekweld: sommigen worden als krijgsgevangene
afgevoerd, anderen vermoord en weer anderen worden uitgeleverd aan wraak
en sterven een vreselijke dood. Er zijn er die beven bij de aanblik van
de vermoorden en ook zijn er die omkomen van honger en dorst. Het is ¾¾n
grote dreiging, ¾¾n
grote straf: de mensen lijden onder velerlei wonden, diverse zorgen en
vreselijke kwellingen. Sommigen van hen zijn geboeid en
worden verrapt, blootgesteld aan winterse koude en met wonden
overdekt. En het ergste en vreselijkste is dat angst, onrust en ongeluk
zich hebben verspreid over het christelijke geslacht. Het is
rechtvaardig en terecht dat wij gestraft worden; zoals we geloven, zo
worden we gestraft: het paste ons overgeleverd te worden in de handen
van een vreemd volk, het meest bandeloze van de aarde. Laten we luid
zeggen: “Rechtvaardig zijt gij, Heer, en juist zijn uw oordelen.”
Laten we tegen die misdadiger zeggen: “We hebben ontvangen wat we ons
door onze daden verdiend hebben.” Laten we met Job uitroepen: “Zoals
het God behaagde, zo is ook geschied; laat Gods naam gezegend zijn tot
in de eeuwen. Mogen we door de invasie van de heidenen en onder de door
hen veroorzaakte kwellingen de Heer erkennen, wiens woede we gewekt
hebben; we werden geroemd, maar hem hebben we niet geroemd; we werden geÁerd, maar (hem) hebben we niet geÁerd;
we werden geheiligd, maar hebben het niet begrepen; we werden
vrijgekocht, maar hebben
hem niet gediend; hoewel we door hem zijn geboren, hebben we hem niet
als een vader schaamtevol gerespecteerd. We hebben gezondigd en we
worden gestraft; zoals we gehandeld hebben, zo lijden we. De steden zijn
alle verlaten, evenals de dorpen. Trekken we door de velden, waar ooit
kudden paarden, schapen en ossen graasden, dan zien we dat alles leeg
is. De weiden zijn verwilderd en zijn leefgebied geworden voor wilde
dieren. We zullen echter hopen op de genade van de Heer, want de goede
Heer straft met goede bedoeling. Hij heeft ons niet behandeld in
overeenstemming met onze misdaden en hij hij vergold ons niet naar onze
zonden; zo betaamt het de goede Heer te straffen niet overeenkomstig de
omvang van onze zonden. Zo heeft de Heer met ons gedaan: hij heeft ons
geschapen, de gevallenen heeft hij doen opstaan, de zonde van Adam heeft
hij vergeven, hij heeft ons het bad van onvergankelijkheid geschonken en
zijn bloed voor ons vergoten. Toen hij zag dat wij niet oprecht leefden
bracht hij de huidige oorlog over ons en ellende, opdat wij of wij
willen of niet toch in het toekomstige leven genade zullen vinden; want
de ziel die hier wordt gestraft, zal toch in het toekomstige leven
genade vinden en verlichting van kwellingen. Want de Heer straft niet
twee maal hiervoor. O die onuitsprekelijke liefde (van God) voor de mens
dat hij ons ook tegen onze wil naar hem zag terugkeren. O de oneindige
liefde die hij voor ons voelt! Omdat wij willens
en wetens zijn afgeweken van zijn geboden. En nu dan lijden we zonder
het te willen, gedwongen omdat het in strijd met onze wil is, maar ziet
nu al overeenkomstig onze wil. Want waar was vroeger droefheid bij ons?
Maar nu is alles vervuld van tranen. Waar was er vroeger gezucht onder
ons? Maar nu heeft het geween zich over alle straten verspreid vanwege
de misdadige moord op onze mensen. De
Polovcen hielden veel plundertochten en keerden terug naar Tor¹esk.
De inwoners van deze stad waren verzwakt door de honger en gaven zich
over aan de vijand. Nadat de Polovcen de stad hadden ingenomen staken
zij haar in brand, verdeelden de mensen en voerden hen naar hun tenten,
naar hun families en bloedverwanten. Veel Christenvolk leed, treurde,
werd gemarteld, was verstijfd van de kou en werd gekweld door honger,
dorst en misÀre,
hun gezichten waren vermagerd en hun lichamen vuil; ze verbleven in een
vreemd land, met verbrande tong, ze liepen naakt en blootsvoets rond en
hun voeten waren opengereten door doorns; in tranen antwoordden ze
elkaar, zeggende: “Ik kom uit die stad”, en anderen: “Ik uit dat
dorp”; zo ondervroegen ze elkaar in tranen en vertelden over hun
familie, zuchtend en hun ogen gericht naar de hemel, naar de
Allerhoogste, naar Hem die alle geheimen kent. Laat
niemand het wagen te zeggen dat wij door God worden gehaat. Laat dat
niet gebeuren. Want van wie houdt God zo, als hij ons is gaan
liefhebben? Wie heeft Hij zo geÁerd als hij ons heeft geroemd en verheven. Niemand
immers! Juist daarom heeft hij zijn toorn meer op ons gericht, die door
Hem het meest van allen geÁerd werden, omdat wij zwaarder dan alle anderen
gezondigd hebben. Omdat wij het meest van allen verlicht waren en de wil
van de Heer kenden maar hem verzaakten, worden wij terecht meer dan
anderen gestraft. Want, zie, ik, zondaar, roep dikwijls de toorn van God
over mij af en zondig vaak, op alle dagen. In
dat jaar overleed Rostislav, zoon van Mstislav, kleinzoon van Izjaslav,
op 1 oktober; en hij werd begraven op 16 november, in de kerk van de H.
Moedergods, de Tiendkerk. In
het jaar 6602 (1094) sloot Svjatopolk vrede met de Polovcen en nam de
dochter van Tugorkan, hun vorst, tot vrouw. In hetzelfde jaar kwam Oleg
met de Polovcen vanuit Tmutorokan’ en trok op naar ‡ernigov,
maar Vladimir verschanste zich daar. Oleg naderde de stad en stak haar
omgeving en de kloosters in brand. En Vladimir sloot vrede met Oleg en
ging naar Perejaslavl naar de troonzetel van zijn vader. Oleg trok de
stad van zijn vader binnen. En de Polovcen begonnen oorlog te voeren
rond ‡ernigov,
zonder dat Oleg hen tegenhield. Hij had
hen immers zelf het bevel gegeven oorlog te voeren. Zo bracht hij
voor de derde maal de heidenen naar het land van Rus’. Moge God hem
deze zonde vergeven, want veel christenen zijn in het verderf gestort en
anderen gevangen genomen en over vreemde landen verstrooid. In dat jaar
kwam er een sprinkhanenplaag over het land van Rus’, op 26 augustus,
en zij vraten alle gewassen en veel koren op. Van hetgeen onze ogen
zagen had men in het land van Rus’eerder niet gehoord, vanwege onze
zonden. In dat jaar stierf ook Stefan, de bisschop van Vladimir, op 27
april om 6 uur ’s nachts. Hij was eerder abt van het Holenklooster
geweest. In
het jaar 6603 (1095) trokken de Polovcen onder Devgenevi¹
op tegen de Grieken en verwoestten het Griekse land; maar de keizer nam
Devgenevi¹
gevangen en liet hem blind maken[4].
In hetzelfde jaar kwamen de Polovcen Itlar’ en Kytan naar Vladimir om
vrede te sluiten. Itlar’ ging naar de stad Perejaslavl’ en Kytan
hield met zijn krijgslieden halt tussen de beide wallen. Vladimir gaf
Kytan zijn zoon Svjatoslav als gijzelaar, terwijl Itlar’ zich met het
beste deel van zijn druûina
in de stad ophield. In dezelfde tijd kwam Slavjata uit KiÁv
naar Vladimir met een boodschap van Svjatopolk. En de druûina
van Ratibor begon met vorst Vladimir te overleggen over het vernietigen
van de mannen van Itlar’. Vladimir wilde dat echter niet doen en
antwoordde: “Hoe kan ik dat doen, daar ik hun een eed heb gezworen”.
De druûina
antwoordde en zei tegen Vladimir: “Vorst, daarmee bega je geen
zonde; want hoewel zij jou altijd eden zwoeren, richten ze het land van
Rus’ te gronde en vergieten ze onophoudelijk christenbloed”. En
Vladimir luisterde naar hun raad en die nacht zond hij
Slavjata met enkele leden van zijn gevolg en wat Torken[5]
tussen de wallen. Nadat ze eerst Svjatoslav bevrijd hadden, doodden ze
Kytan en vernietigden zijn druûina. Het was toen zaterdagavond en Itlar lag die
nacht met zijn gevolg op het hof bij Ratibor zonder te weten
wat er met Kytan gebeurd was. De volgende dag, zondag, vroeg in
de ochtend riep Ratibor zijn mannen te wapen en beval hen een woonhuis
te verwarmen. En Vladimir stuurde zijn page Bjandjuk naar de mannen van
Itlar. Bjandjuk zei tegen Itlar: “Vorst Vladimir nodigt u uit bij hem
te komen, nadat u in het warme huis uw schoenen heeft aangetrokken en
bij Ratibor ontbeten
heeft”. Itlar zei: “Zo zal gebeuren”. En toe ze de woning
binnengingen, werden ze opgesloten. Nadat de mannen van Ratibor op het
huis geklommen waren en een opening in het dak gemaakt hadden, nam
Ratibors zoon Ol’beg zijn boog, legde er een pijl op en trof
Itlar in het hart. Zijn druûina
werd volledig afgeslacht. Zo kwam Itlar op wrede wijze aan zijn einde,
op de eerste zondag van de Vasten, op 24 februari. Toen stuurden
Svjatopolk en Vladimir een bode naar Oleg en bevalen hem met hen ten
strijde te trekken tegen de Polovcen. Oleg beloofde het hun en ging op
weg, maar nam niet dezelfde route als zij. Svjatopolk en Vladimir
trokken naar het kamp, namen het in, maakten paarden, vee, kamelen en
slaven buit en brachten die naar hun eigen land. En ze begonnen wrok te
koesteren jegens Oleg, omdat hij niet met hen was opgetrokken tegen de
heidenen. Svjatopolk en Vladimir stuurden een bode naar Oleg en lieten
hem het volgende zeggen: “Zie, je bent niet met ons ten strijde
getrokken tegen de heidenen, die het Russische land te gronde hebben
gericht. Bij jou is de zoon van Itlar: dood hem of geef hem aan ons
over. Hij is de vijand van ons en van het land van Rus’”. Oleg gaf
hier echter geen gehoor aan en er groeide haat tussen hen. In
datzelfde jaar rukten de Polovcen op naar Jur’jev[6],
belegerden de stad gedurende de hele zomer en namen haar bijna in.
Svjatopolk bracht hen er echter toe vrede te sluiten. Toen trokken de
Polovcen over de Ros’ en de inwoners van Jur’jev vluchtten naar KiÁv.
Svjatopolk liet echter een stad bouwen op de Vyte¹evheuvel en noemde de stad naar zijn naam
Svjatopol¹’gorod.
Hij beval bisschop Marin zich daar met de inwoners van Jur’jev te
vestigen evenals de inwoners van Zasakov[7]
en anderen uit andere steden. Het verlaten Jur’jev werd door de
Polovcen in brand gestoken. Op het eind van dat jaar vertrok Svjatoslavs
zoon David vanuit Novgorod naar Smolensk. De inwoners van Novgorod
gingen toen naar Rostov om M’stislav, de zoon van Vladimir, op te
halen. Ze namen hem mee naar Novgorod en zeiden tegen David: “Kom niet
meer naar ons”. David keerde dus terug naar Smolensk en vestigde zich
daar als vorst, terwijl M’stislav de troon innam in Novgorod. In
dezelfde tijd vertrok Izjaslav, zoon van Vladimir, vanuit Kursk naar
Murom. De Muromtsy aanvaardden hem als hun vorst en hij nam de
stadhouder van Oleg gevangen. In dat jaar, op 28 augustus, kwamen er
sprinkhanen, en het was vreselijk om te zien hoe ze naar noordelijke
streken trokken en gras en gierst vraten. In
het jaar 6604 (1096) zonden Svjatopolk en Vladimir de volgende boodschap
aan Oleg: “Kom naar Kiëv, om een verdrag te sluiten over het land van
Rus’ in aanwezigheid van de bisschoppen, de igumens, de mannen van
onze vaders en de inwoners van de stad, opdat we het Russische land
verdedigen tegen de heidenen”. Oleg nam echter een aanmatigende
houding aan en sprak de volgende trotse woorden: “Het bevalt me niet
dat een bisschop of igumens of boeren over mij oordelen”. En hij wilde
niet naar zijn broeders gaan, omdat hij de adviezen van
slechte raadgevers opvolgde. Svjatopolk en Vladimir zeiden echter
tegen hem: “Zie, je trekt niet op tegen de heidenen en wil
niet voor overleg naar ons komen. Je beraamt plannen tegen ons en
wil de heidenen helpen, God zal tussen ons staan”. Svjatopolk en
Vladimir trokken toen tegen Oleg op naar ‡ernigov.
Maar Oleg vluchtte uit ‡ernigov.
Dit was op zaterdag 3 mei. Svjatopolk en Vladimir achtervolgden hem en
Oleg vluchtte naar Starodub en verschanste zich daar; Svjatopolk en
Vladimir belegerden hem in de stad. Vanuit de stad werd krachtig verzet
geboden, maar zij bleven aanvallen en aan beide kanten raakten
velen gewond. Er er woedde een verbeten strijd tussen hen. Ze
belegerden de stad 33 dagen lang en de inwoners verzwakten.Toen begaf
Oleg zich buiten de stad en vroeg om vrede. Svjatopolk en Vladimir willigden zijn verzoek in met de
volgende woorden: “Ga naar je broer David en komen jullie beiden naar
Kiëv, de zetel van onze vaders en grootvaders. Want Kiëv is de oudste
stad van het hele land. Daar past het samen te komen en een verdrag te
sluiten”. Oleg beloofde dat te doen en daarop kusten zij het kruis. In
dezelfde tijd arriveerde, op een zondagavond,
Bonjak met de Polovcen bij Kiëv, verwoestte de omgeving van de
stad en brandde het hof van de vorst in Berestovoje plat. In die tijd
ook trok Kurja plunderend rond bij Perejaslavl’ en stak op 24 mei
Ust’je in brand. Oleg verliet Starodub en ging naar Smolensk, maar de
inwoners van Smolensk accepteerden hem niet als hun vorst. Hij ging toen
naar Rjazan’. Svjatopolk en
Vladimir gingen huiswaarts. In dezelfde maand, op 30 mei, trok Tugorkan,
Svjatopolks schoonvader, naar Perejaslavl’ en belegerde de stad. De
inwoners van Perejaslavl’ verschansten zich in de stad. Svjatopolk en
Vladimir trokken aan deze kant van de Dnjepr tegen hem op en kwamen aan
bij Zarub. Daar doorwaadden ze de rivier zonder dat de Polovcen hen
bemerkten, omdat God hen beschermde. Ze stelden hun troepen in slagorde
op en naderden de stad. Toen de inwoners hen zagen verheugden ze zich en
en gingen naar hen toe. De Polovcen stonden in slagorde aan de andere
kant van de Trubeû.
Svjatopolk en Vladimir waadden de Trubeû in en trokken de Polovcen tegemoet. Vladimir wilde
zijn troep in het gelid scharen, maar ze luisterden niet naar hem en
dreven hun paarden met geweld voort in de richting van de vijand. Toen
ze dat zagen sloegen de Polovcen op de vlucht, maar de onzen joegen de
krijgers achterna en hakten op de vijand in. En de Heer bracht ons op
die dag een grote redding: op 19 juli werden de vreemdelingen verslagen
en hun vorst Tugorkan, zijn zoon en andere vorsten gedood; veel van onze
vijanden sneuvelden daar. De volgende ochtend vonden ze Tugorkan dood en
Svjatopolk nam hem, zijn schoonvader en vijand, op. Ze vervoerden hem
naar Kiëv en begroeven hem in Berestovoje tussen de weg die naar
Berestovoje en een andere weg die naar het klooster leidt. En
op de twintigste van dezelfde maand, op vrijdag om 1 uur verscheen voor
de tweede maal, heimelijk
en onverwacht, de goddeloze, schurftige bandiet Bonjak voor Kiëv. Bijna
waren de Polovcen de in de stad binnengedrongen. Ze verbrandden de
uiterwaarden bij de stad en gingen op weg naar het klooster. Ze staken
het klooster van Stefan in brand, de dorpen en het klooster van German.
En ze kwamen naar het Holenklooster, waar wij na de metten aan het
uitrustten waren in onze cellen, en hieven een geschreeuw aan rondom het
klooster. Ze plaatsten twee banieren voor de kloosterpoort, terwijl
sommigen van ons naar het achterse gedeelte van het klooster vluchtten
en anderen de zolders opvluchtten. De goddeloze zonen van Izmaël
beukten de kloosterpoort open en liepen de cellen langs. Ze braken de
deuren open en sleepten alles wat ze in de cellen vonden mee naar
buiten. Daarna verbrandden ze het huis van onze heilige meesteres de
Moeder Gods en trokken naar de kerk waarvan ze de deuren in brand
staken, eerst die in de zuidelijke en toen die in de noordelijke
vleugel. Ze drongen binnen in de kapel bij het graf van Feodosij, pakten
de ikonen, staken de deuren in brand en lasterden God en ons geloof.
Maar God duldde het want er was nog geen einde gekomen aan hun zonden en
hun wetteloosheid. Zo zeiden ze: “Waar is hun god? Laat hij hen helpen
en redden.” Andere lasterlijke woorden zeiden ze tegen de heilige
ikonen, die ze bespotten. Ze wisten niet dat God zijn dienaren straft
met de ellende van oorlog, opdat ze worden als goud dat is beproefd in
de oven; want christenen zullen door het vele leed en de ellende
binnengaan in het koninkrijk der hemelen, maar deze heidenen en
lasteraars ontvangen in deze wereld vrolijkheid en tevredenheid maar in
die wereld zullen ze kwellingen ondergaan, omdat ze door de duivel zijn
voorbestemd voor het eeuwige vuur. Toen staken ze het Mooie Paleis in
brand, dat de vrome vorst Vsevolod
had neergezet op de heuvel met de naam Vydoby¹i. Dat alles lieten de vervloekte Polovcen door het
vuur verteren. Laten wij daarom nu, in navolging van de profeet David
uitroepen: “Heer mijn God, maak hen als een rad, als vuur voor het
aangezicht van de wind, dat bossen verteert; zo zult gij hen met uw
storm opjagen, vervul hun gelaat met schaamte.”[8]
Want zie, ze hebben uw heilig huis, het klooster van uw moeder en de
lijken van uw knechten bezoedeld en verbrand. Want de goddeloze zonen
van Izmaël hebben enkelen van onze broeders met wapens gedood. Ze zijn
immers gezonden om de christenen te straffen. Want
ze zijn voortgekomen uit de Etrivwoestijn in het noordoosten. Vier van
hun stammen komen er vandaan: Torkmenen, Pe¹enegen,
Torken, Polovcen. Mefodij[9]
getuigt over hen dat acht stammen gevlucht zijn toen Gedeon hen
neersloeg; acht vluchtten namelijk de woestijn in en vier vernietigde
hij. Maar anderen zeggen dat het de zonen zijn van Ammon. Dat is echter
niet zo: want de zonen van Moab zijn Chvalisen[10] en de zonen van Ammon
Bolgaren[11].
De Saracenen zijn nakomelingen van Izmaël en geven zich uit voor
Sarinen. De Saracenen gaven zich deze naam, zeggend: wij zijn
afstammelingen van Sara (Sarinen). Zo stammen de Chvalisen en Bolgaren
af van de beide dochters van Lot, die een kind ontvingen van hun vader.
Daarom is hun stam onrein. Maar Izmaël verwekte twaalf zonen, van wie
afstammen de Torkmenen, de Pe¹enegen,
de Torken en de Kumanen, dat wil zeggen Polovcen, die uit de woestijn
voortkomen. En na deze acht stammen zullen aan het einde van de wereld
de door Alexander van Macedonië in het gebergte ingesloten onreine
mensen te voorschijn komen. De
onderrichting Ik onwaardige, door mijn grootvader de gezegende en roemrijke Jaroslav bij mijn doop Vasilij genaamd, bij mijn Russische naam Vladimir, en door mijn geliefde vader en moeder Monomach …………………………………………………………………………………… en omwille van het christelijk volk , want hoe vaak bleef ik door zijn genade en door mijn vaders gebed gespaard voor allerlei onheil. Zittend in mijn slede[12], heb ik mijn ziel onderzocht en God geprezen, die mij zondaar tot deze dagen heeft begeleid. Ja mijn zoons of iemand anders, wanneer je kennis neemt van dit geschrift, lach dan niet maar laat die zoon aan wie het dierbaar is zich deze woorden ter harte nemen en niet tot laksheid vervallen maar zich inspannen. Allereerst, om Gods wil en voor jullie ziel, hebt vrees voor God in jullie hart en geeft rijkelijk aalmoezen, want dat is het begin van al het goede. Maar als iemand dit geschrift niet bevalt, laat hij niet spotten en het volgende zeggen: op een verre reis gaand en de dood nabij heeft hij deze kletspraat uitgeslagen. Mij kwamen op de Wolga bodes van mijn broers tegemoet en zij zeiden: “Haast je naar ons opdat we de beide zoons van Rostislav verdrijven en hun gebied afnemen; maar als je niet met ons mee gaat, dan zijn wij op ons zelf aangewezen en jij eveneens.”En ik zei: “Ook al worden jullie boos, ik kan noch met jullie meegaan, noch mijn eed breken.” Nadat ik hen had heengezonden, nam ik het psalterium, sloeg het in mijn verdriet open en vond de volgende passage: “Waarom treur je, ziel? Waarom verontrust je me?”[13] enzovoort. En hierna koos ik deze geliefde woorden uit, zette ze achter elkaar en schreef ze op: als de laatste jullie niet bevallen, neem dan de eerste. “Waarom ben je bedroefd, mijn ziel? Waarom verontrust je me? Stel je vertrouwen in God, want aan hem zal ik me bekennen.” “Wees niet jaloers op de boosdoeners en benijd niet hen die misdaden plegen, want de boosdoeners zullen worden uitgeroeid, maar zij die geduldig wachten op de heer, zullen het land bezitten. En nog even en er zal geen zondaar zijn; hij zoekt zijn plaats maar zal die niet vinden. De zachtmoedigen zullen het land beërven, ze zullen genieten van de overvloed aan vrede. De zondaar beloert de rechtvaardige en knarst met zijn tanden tegen hem; de Heer lacht om hem en voorziet dat zijn dag zal komen. De zondaren trokken hun zwaard, spanden hun boog om de arme en de ongelukkige neer te schieten en de rechtvaardigen te doden. Hun zwaard zal hen in het hart treffen en hun bogen zullen breken. Het geringe bezit van de rechtvaardige is beter dan de grote rijkdom van de zondaren. Want de arm van de zondaars zal breken, maar de Heer steunt de rechtvaardigen. Want de zondaren zullen omkomen maar de rechtvaardige is barmhartig en geeft. Want zij die hem prijzen zullen het land erven, maar zij die hem vervloeken zullen worden uitgeroeid. Door de Heer worden de stappen van de mens geleid. Wanneer hij valt zal hij geen letsel oplopen, omdat de Heer zijn hand grijpt en hem opricht. Ik ben jong geweest en oud geworden, en ik heb geen rechtvaardige verlaten gezien en zijn kinderen bedelend om brood. Te allen tijde is de rechtvaardige barmhartig en leent uit en zijn geslacht zal gezegend zijn. Keer je af van het kwaad, doe goed, zoek vrede, jaag die na en leef tot in de eeuwen der eeuwen.”[14] “Toen de mensen tegen ons opstonden, hadden ze ons levend verslonden. Toen hun toorn tegen ons ontbrandde, had het water ons overstroomd.”[15] “Heb erbarmen met mij, God, want de mens heeft mij vertrapt, de hele dag strijdend, en mij verdrukt. Mijn vijanden hebben mij vertrapt, want velen waren het die vanuit de hoogte met mij vochten.”[16] “De rechtvaardige zal zich verheugen, wanneer hij de wraak ziet; hij zal zijn handen wassen in het bloed van de zondaar. En de mens sprak nu: wanneer de vrucht van de rechtvaardige is, dan bestaat ook God, die over de aarde oordeelt.”[17] Bevrijd mij van mijn vijanden, God, en verlos mij van hen die tegen mij opstaan. Verlos mij van hen die onrecht doen en red mij van de mannen van het bloed; want zie, ze hebben mijn ziel gevangen.”[18] “En zoals de toorn is in zijn heftigheid, zo is het leven in zijn macht; in de avond zal er geween heersen, in de ochtend vreugde.”[19] “Want uw barmhartigheid is beter dan mijn leven, laten mijn lippen u prijzen. Zo wil ik u loven in mijn leven en in uw naam zal ik mijn handen opheffen.”[20] “Verberg mij voor de raadslag van de boosdoeners, voor de menigte der onrechtplegers.”[21] “Verheugt u allen die oprecht van hart zijt. Ik prijs de Heer voor immer, altijddurende lof aan hem”[22], en zo verder. Zo leerde immers Vasilij, toen hij hier jongemannen bijeenbracht die zuiver van hart en slank van lijf waren, om zachtmoedig te spreken en het woord des Heren met mate te gebruiken: “ Eten en drinken zonder veel geluid, in aanwezigheid van oude mensen te zwijgen, naar wijze mensen te luisteren,ouderen te gehoorzamen, aan gelijken en minderen liefde te betonen; niet met een dubbele tong te spreken maar veel te begrijpen; je woede niet met woorden te uiten, in het gesprek niet te lasteren, niet overdreven te lachen, schroomvol om te gaan met ouderen, niet met onfatsoenlijke vrouwen te praten, de ogen neer te slaan, maar de ziel te verheffen; hij leert ons de lichtzinnigen te mijden, hen niet te provoceren en de macht voor waardeloos te houden, hoewel die bij allen in aanzien staat. Als iemand van jullie anderen van dienst kan zijn, dan mag hij van God een beloning verwachten en zich verheugen op eeuwig heil. “O meesteres Moeder Gods! Neem van mijn armzalige hart de trots en ijdelheid weg, opdat ik niet hoogmoedig word door de ijdelheid van deze wereld in dit nietswaardige leven.” Leer, gelovig mens, de vroomheid te bevorderen, leer, volgens het woord van het evangelie, “de ogen te sturen, de tong te beheersen, het verstand te beteugelen, het lichaam te onderwerpen, de woede te temmen, zuivere gedachten te koesteren en te streven naar goede daden, omwille van de Heer; wanneer je wordt beroofd, wreek je dan niet, als je wordt gehaat, bemin, word je vervolgd, duld het, word je uitgescholden, bid en roei de zonde uit.” “Bevrijd de gekrenkte, wees rechtvaardig voor de wees, bescherm de weduwe. Kom, laten we ons verenigen, zegt de Heer. Als jullie zonden rood als purper zijn, ik zal ze wit als sneeuw maken,”[23] enzovoort. De lente van het vasten en de bloesem van het berouw lichten op, laten we ons zuiveren, broeders van al het vleselijk en geestelijk bloed. Laten we de lichtgever aanroepen met de woorden: “ Eer aan u, die de mensen liefheeft.” Waarlijk, mijn zoons, wees je ervan bewust hoe barmhartig, hoe buitengewoon barmhartig de menslievende God is. Wij zijn zondige en sterfelijke mensen, en als iemand ons kwaad doet, willen we hem verslinden en snel zijn bloed vergieten; maar onze Heer, die heerst over het leven en de dood, verdraagt onze zonden die hoger zijn dan ons hoofd, en dat gedurende ons hele leven. Zoals een vader die zijn kind liefheeft het slaat en het weer tegen zich aantrekt, zo heeft de Heer ons de overwinning op onze vijand getoond, hoe we ons door drie goede werken van hem kunnen bevrijden en hem kunnen overwinnen: door berouw, tranen en het geven van aalmoezen. Dit nu is voor jullie, mijn kinderen, geen zware opdracht, omdat je door deze drie werken bevrijd wordt van je zonden en het koninkrijk der hemelen niet verliest. Maar om Gods wil, weest niet laks, bid ik jullie, en vergeet deze drie werken niet; want ze zijn niet zwaar; niet door eenzaamheid, een monastieke leefwijze of honger, zoals sommige goede mensen verdragen, maar door een geringe daad kun je de genade Gods verkrijgen. “Wat is de mens dat gij hem gedenkt?”[24] Groot zijt gij, Heer, en wonderbaarlijk uw werken, op geen enkele manier kan het menselijke verstand uw wonderen uiteenzetten; en weer zeggen we: groot zijt gij, Heer, en wonderbaarlijk uw werken en gezegend en lovenswaardig uw naam in eeuwigheid op de hele aarde. Wie zal u niet prijzen, niet roemen uw kracht, uw grote wonderen en uw weldaden die in deze wereld verricht zijn: zoals de hemel is gemaakt, de zon, de maan, de sterren, de duisternis en het licht en het land, neergelegd op de wateren, Heer, door uw voorzienigheid. De verschillende dieren, de vogels en de vissen zijn verfraaid door uw voorzienigheid, Heer. En wij verbazen ons over het wonder hoe u uit aarde een mens hebt gemaakt, hoe u verscheidenheid hebt aangebracht in de menselijke gelaatstrekken; ook al wordt de hele wereld bijeengebracht, niet allen zien er hetzelfde uit, maar ieder heeft zijn eigen gelaatsvorm, door Gods wijsheid. En we verbazen ons erover hoe de vogels van de hemel uit het zuiden komen, eerst naar onze gebieden; ze blijven niet in één land, maar zowel de sterken als de zwakken trekken door alle landen en vullen bossen en velden, Gods gebod volgend. Dat alles heeft God ten gerieve van de mensen gegeven, als voedsel en tot hun vreugde. Groot, Heer is uw genade voor ons, u die deze aardse zegeningen gemaakt hebt ter wille van de zondige mens. En deze vogels des hemels zijn door u, Heer, wijs gemaakt; wanneer gij het beveelt, zingen ze en maken de mensen blij; en wanneer gij het hen niet beveelt verstommen ze hoewel ze een stem hebben. “Maar gezegend zijt ge Heer, en zeer geprezen,” omdat ge allerlei wonderen en weldaden hebt verricht. “Wie u niet prijst, Heer, en met heel zijn hart en ziel gelooft in de naam van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest, hij zij verdoemd”. Wanneer jullie, mijn kinderen, deze goddelijke woorden leest, prijst God, die ons zijn genade geschonken heeft en deze onderrichting als vrucht van mijn armzalige onverstand. Luister naar mij; willen jullie niet alles aannemen, dan de helft. Als God jullie hart vertedert, vergiet dan tranen om jullie zonden en zeg: zoals God erbarmen heeft gehad met de hoer, de rover en de tollenaar, heb zo ook erbarmen met ons zondaars. Doe dat in de kerk en wanneer je naar bed gaat. Sla niet één nacht over en als je kunt buig dan ter aarde neer; maar als je krachten beginnen af te nemen, dan drie keer. En vergeet niet, dat jullie niet laks moeten zijn, want door ’s nachts buigingen te maken en te zingen overwint de mens de duivel; daarmee verlost de mens zich van wat hij op de dag aan zonden begaat. Als je op je paard rijdt en er is niemand om iets mee te bespreken en je hebt geen andere gebeden om uit te spreken, roepen jullie dan onophoudelijk en in stilte “Heer ontferm u”; want dat gebed is veel beter dan rijdend aan onzin te denken. Vergeet allereerst de armen niet, maar voed ze, voorzover het in jullie vermogen ligt, geef aalmoezen aan de wees, spreek zelf recht over de de weduwe en sta de machtigen niet toe een mens te gronde te richten. Dood noch degene die in zijn recht staat, noch de schuldige en geef evenmin opdracht hem te doden. Ook al is hij de dood schuldig, richt geen christelijke ziel te gronde. Wanneer je spreekt, slecht of goed, zweer niet bij God en maak geen kruisteken, want daar is geen noodzaak toe. Als jullie het kruis willen kussen om een eed te zweren ten overstaan van je broers of iemand anders, onderzoek dan eerst je hart of je je woord gestand kunt doen en kus dan het kruis; en nadat je het gekust hebt, hoed je er dan voor dat je niet door de eed te breken je ziel te gronde richt. Bisschoppen, priesters en abten… ontvang met liefde hun zegen en ga hen niet uit de weg, heb hen lief en zorg voor ze naar vermogen, opdat God door hun tussenkomst je gebed zal verhoren. Vóór alles weest niet trots in jullie hart of verstand maar laten we uitspreken: we zijn sterfelijk, vandaag leven we, maar morgen liggen we in het graf; zie, alles wat u ons hebt gegeven is niet van ons maar van u, u hebt het ons voor weinig dagen toevertrouwd. En begraaf niets in de aarde; dat is voor ons een grote zonde. Respecteer de ouderen als je vader en de jongeren als je broers. Wees niet gemakzuchtig in je eigen huis, maar houd toezicht op alles; vertrouw niet op de huismeester of de dienaar, opdat zij die jullie bezoeken niet lachen om jullie huis of maaltijd. Als je ten oorlog trekt, weest niet laks en verlaat je niet op de aanvoerders; geef je niet over aan overvloedig eten en drinken of aan slapen. Stel de schildwachten zelf op, leg je ’s nachts pas te rusten nadat je ze overal rond je kamp hebt neergezet en sta vroeg op. Leg je wapens niet te snel af zonder om je heen gekeken te hebben, uit onachtzaamheid, want een mens kan onverwacht omkomen. Hoed je voor de leugen, voor dronkenschap en ontucht, want daardoor gaat je ziel te gronde en ook je lichaam. Waarheen jullie op je tochten door jullie gebieden ook gaan, sta je eigen en andermans krijgers niet toe schade aan te richten, noch in de dorpen, noch in de graanschuren, opdat men jullie niet zal vervloeken. Waarheen jullie ook gaan, waar je ook halt houdt, geeft de bedelaar te drinken en voedt hem; eert vooral de gast, waarvandaan hij ook naar je toekomt, ongeacht of hij eenvoudig of voornaam is of als boodschapper komt; als je hem niet met een geschenk kunt eren, dan met eten en drinken: want rondtrekkend geven ze een man in alle landen een goede of slechte reputatie. Bezoek de zieke en begeleid de dode, omdat wij allen sterfelijk zijn. Ga niet aan een mens voorbij zonder hem te begroeten en geef hem een vriendelijk woord. Houd van je vrouw, maar geef hun geen macht over je. Maar laat dit voor jullie het allerbelangrijkste zijn: stel de vrees voor God boven alles. Als jullie dit vergeten, herlees het dan vaak; ik blijf dan zonder schande en voor jullie zal het goed zijn. Vergeet niet het goede waartoe je in staat bent en leer hetgeen je niet beheerst, zoals mijn vader terwijl hij thuis zat vijf talen heeft geleerd, want daarmee dwing je respect af in andere landen. Want laksheid is de moeder van alles: wat ze kan, dat vergeet ze en wat ze niet kan, dat leert ze niet. Wanneer jullie goed willen doen, mag je geen enkele goede daad verwaarlozen, allereerst ten aanzien van de kerk: laat de zon jullie niet op je bed aantreffen; zo immers handelde mijn vader zaliger evenals alle goede, volmaakte mannen. Nadat je bij het ochtendgloren God geprezen hebt moet je na zonsopgang, zodra je de zon ontwaart, God met vreugde verheerlijken en zeggen: “Verlicht mijn ogen, Christus God, gij die mij uw stralend licht gegeven hebt! En verder: Heer, voeg mij jaar op jaar toe, opdat ik door boete te doen voor mijn ondeugden en zonden mijn leven rechtvaardig”, zo loof ik God. En dan kun je na je te hebben neergezet gaan beraadslagen met je druûina of rechtspreken over je mensen; je kunt gaan jagen of paardrijden of je te rusten leggen; het slapen is door God voorbestemd voor het middaguur. Om die tijd rusten de dieren, de vogels en de mensen. Dan zal ik, mijn kinderen, jullie nu vertellen van de inspanningen die ik me sedert dertien jaar getroost heb tijdens mijn reizen en jachtpartijen. Eerst ging ik naar Rostov door het gebied van de Vjati¹en[25], gezonden door mijn vader die zelf naar Kursk ging; ten tweede naar Smolensk met Stavko de zoon van Gordjata; zelf vertrok hij met Izjaslav naar Berestje, mij stuurde hij naar Smolensk en van Smolensk ging ik naar Vladimir. Diezelfde winter zonden mijn beide broers me naar Berestje, waar de Lechen brand gesticht hadden, en ik zorgde ervoor dat de stad rustig bleef. Toen ging ik naar vader in Perejaslavl’ en na Pasen van Perejaslavl’ naar Vladimir om in Sutejska vrede te sluiten met de Lechen. En daarvandaan in de zomer weer terug naar Vladimir. Toen stuurde Svjatoslav me naar het land van de Lechen. Ik ging naar het gebied achter Glogau tot bij het Tsjechische woud en trok in hun land vier maanden rond. En in dat jaar werd mijn oudste kind, het Novgorodse, geboren. Toen vandaar naar Turov, in de lente naar Perejaslavl’en weer terug Turov. En Svjatoslav overleed en ik ging weer naar Smolensk en toen vanuit Smolensk in dezelfde winter naar Novgorod; in de lente trok ik Gleb te hulp. In de zomer met mijn vader naar Polock, de volgende zomer met Svjatopolk naar Polock en we staken de stad in brand; hij ging naar Novgorod en ik met de Polovcen naar Odresk, oorlogvoerend, en toen naar ‡ernigov. En vanuit Smolensk ging ik weer naar vader in ‡ernigov. Oleg kwam uit Vladimir en ik nodigde hem en mijn vader voor de maaltijd uit in het Mooie Paleis in ‡ernigov. Aan mijn vader gaf ik driehonderd grivna[26] goud. En weer kwam ik uit Smolensk en na me al vechtend een weg gebaand te hebben door de gelederen der Polovcen bereikte ik Perejaslavl’. Daar trof ik mijn vader aan die was teruggekeerd van een veldtocht. Toen trok ik in hetzelfde jaar weer met mijn vader en Izjaslav naar ‡ernigov om strijd te leveren met Boris en we overwonnen Boris en Oleg. We gingen weer terug naar Perejaslavl’ en hielden halt in Obrov. Toen stak Vseslav Smolensk in brand en ik en de mannen van ‡ernigov stegen te paard en namen wisselpaarden mee. Maar we troffen…… niet aan in Smolensk. Bij de achtervolging van Vseslav brandde ik het land plat en voerde oorlog tot bij Lukoml’ en Logoûsk, waarna ik Drjuck aanviel en terugkeerde naar ‡ernigov. Die winter vernietigden de Polovcen Starodub’ totaal en ik trok op met de mannen van ‡ernigov en Polovcen (huurlingen). Aan de Desna namen we de vorsten Asaduk en Sauk gevangen en doodden hun druûina. En de volgende ochtend achter Novyj Gorod joegen we de sterke strijdmacht van Belkatgin uiteen en namen hun zwaarden en al hun buit in beslag. En gedurende twee winters trokken we op naar het gebied van de Vjati¹en tegen Chodota en zijn zoon en de eerste winter ging ik naar Kor’dno. En opnieuw achter de zonen van Izjaslav aan tot voorbij Mikulin, maar we kregen ze niet te pakken. En die lente ging ik naar Jaropolk voor een bijeenkomst in Brody. In de zomer achtervolgden we de Polovcen, die Goroëin’ hadden ingenomen, tot over de Chorol. En in de herfst trokken we met de ‡ernigovse mannen, met de Polovcen en de ‡itejevi¹en[27] naar Minsk. We namen de stad in en lieten er geen slaaf en geen stuk vee achter. En in de winter gingen we voor overleg naar Jaropolk in Brody en sloten een uitgebreid vriendschapsverdrag. In de lente stelde vader mij, vóór mijn broers, aan als heerser in Perejaslavl’ en wij trokken de Supoj over. En op weg naar de stad Priluk stuitten we plotseling op Polovcenvorsten met acht duizend man. We wilden graag het gevecht met hen aangaan, maar onze wapens hadden we op wagens vooruitgestuurd en we trokken de stad binnen; alleen Semca kregen ze levend in handen en enkele horigen, maar een groter aantal van hen werd door de onzen gedood en gevangen genomen. Ze durfden zelfs hun paarden niet te grijpen en vluchtten die nacht naar Sula. En de volgende ochtend, op Hemelvaart, kwamen we aan in Bela Veûa en God en de heilige Moeder Gods hielpen ons: we doodden 900 Polovcen en namen twee vorsten gevangen, twee broers van Bagubars, Asen’en Sakû en slechts twee mannen onttkwamen. En daarna achtervolgden we de Polovcen naar Svjatoslavl’en vervolgens naar de stad Tor¹esk en naar Jur’jev. En weer overwonnen we de Polovcen aan deze kant (van de Dnepr) bij Krasno; daarna nam ik samen met Rostislav hun kamp in bij Varin. Toen ging ik naar Vladimir, installeerde daar Jaropolk en Jaropolk stierf. En na de dood van mijn vader, in aanwezigheid van Svjatopolk, vochten we aan de Stugna weer tot de avond tegen de Polovcen –we waren bij Chalep- en daarna sloten we vrede met Tugorkan en met de andere Polovcenvorsten. En we vulden onze druûina geheel aan met de mannen van Gleb. Vervolgens trok Oleg met de Polovcen op naar ‡ernigov om slag met mij te leveren. Mijn druûina streed acht dagen lang met hem om een kleine aarden wal en stond hen niet toe binnen te dringen in de vesting; omdat ik medelijden had gekregen met de christenzielen en de brandende dorpen en kloosters zei ik: “De heidenen mogen zich niet op de borst kloppen.”en gaf de broer de plaats van zijn vader en zelf ging ik naar de plaats van mijn vader, Perejaslavl’. En we vertrokken op de dag van de Heilige Boris[28] uit ‡ernigov en reden door de legerscharen van de Polovcen met een gewapend gevolg van ongeveer 100 man en met vrouwen en kinderen. De Polovcen ontblootten hun tanden, terwijl ze vanaf de oversteekplaats en de bergen als wolven naar ons loerden. Maar God en de Heilige Boris gaven mij hun niet als prooi en ongedeerd bereikten we Perejaslavl’. In Perejaslavl’ bleef ik drie zomers en drie winters met mijn druûina en we kregen veel ellende te verduren door oorlog en honger. We trokken tegen hun troepen op tot voorbij Rimov en God hielp ons – we doodden ze en anderen namen we gevangen. Opnieuw vernietigden we de krijgers van Itlar en namen hun kamp in nadat we waren opgerukt tot achter Goltav. En we trokken op naar Starodub tegen Oleg, omdat hij gemene zaak had gemaakt met de Polovcen. En samen met Svjatopolk gingen we naar de Bug om te vechten tegen Bonjak, na de Ros’ te zijn overgestoken. En we gingen naar Smolensk, nadat we vrede hadden gesloten met David. Voor de tweede keer kwamen we uit Voronica. Toen trokken de Torken tegen mij op evenals de ‡itejevi¹en, die tot het volk van de Polovcen behoren, en wij trokken hen tegemoet in de richting van de Sula. Daarna begaven we weer naar Rostov voor de winter en voor drie winters gingen we naar Smolensk. Vanuit Smolensk ging ik naar Rostov. En opnieuw achtervolgde ik samen met Svjatopolk Bonjak, maar…..vermoordden ze, en we haalden ze niet in. En daarna joegen we Bonjak na over de Ros’ en haalden hem niet in. En voor de winter ging ik naar Smolensk en na de Pasen vertrok ik uit Smolensk; en Jurij’s moeder[29] overleed. Toen ik voor de zomer naar Perejaslavl’ was gekomen bracht ik mijn broers bijeen. En Bonjak kwam met alle Polovcen naar Kosnjatin. Vanuit Perejaslavl’gingen we achter hem aan over de Sula. God hielp ons en we overwonnen hun leger en namen hun aanzienlijkste vorsten gevangen. Na Kerst sloten we vrede met Ajepa en trokken naar Smolensk, terwijl we zijn dochter met ons meenamen. Vervolgens ging ik naar Rostov. Nadat ik uit Rostov was gekomen, trok ik weer met Svjatopolk op tegen de Polovcen, tegen Uru(so)ba, en God hielp ons. En daarna weer tegen Bonjak, naar Lubno, en God stond ons bij. Vervolgens ging ik met Svjatopolk naar Voin’; en toen trok ik met Svjatopolk en David naar de Don en God gaf ons zijn steun. Ajepa en Bonjak waren opgerukt tot bij Vyr’ en wilden de stad innemen. Ik trok met Oleg en mijn zoons tegen hen op in de richting van Romno en zij vluchtten toen ze dat vernomen hadden. En daarna trokken we op naar Minsk tegen Gleb, omdat hij mensen van ons gevangen had genomen en God stond ons bij en wij bereikten wat we ons voorgenomen hadden. Toen trokken we op naar Vladimir tegen Jaroslavec[30], omdat we zijn boosaardigheid niet meer duldden. En vanuit ‡ernigov reed ik menig maal in allerijl naar mijn vader in Kiëv, waarbij ik de afstand in één dag overbrugde en vóór de vespers arriveerde. In totaal heb ik drieëntachtig veldtochten voltooid en de overige kleinere herinner ik me niet. En met de vorsten van de Polovcen heb ik negentien vredesverdragen gesloten, toen mijn vader nog in leven was en ook na zijn dood en ik heb veel van mijn vee en kleren weggeschonken. En veel vooraanstaande Polovcenvorsten heb ik uit de gevangenis vrijgelaten: twee broers van žarukan’, drie broers van Bagubars, vier broers van Osen’en in totaal honderd andere van de belangrijkste vorsten van de Polovcen. De volgende vorsten gaf God mij levend in handen: Koksul’ en zijn zoon, Aklan, Bur¹evi¹, de Tarevse vorst Azguluj en vijftien andere jonge krijgers; hen heb ik levend meegevoerd, neergesabeld en in het riviertje de Salnja gegooid. Successievelijk zijn ongeveer tweehonderd van de aanzienlijkste Polovcen gedood. Ook in de jacht heb ik heel wat energie gestoken: zolang ik in ‡ernigov zat en nadat ik uit ‡ernigov vertrokken was en tot dat jaar jaagde ik zo’n honderd (???) en nam zonder inspanning, afgezien van de andere jacht, buiten Turov, waar ik met mijn vader op al het wild jaagde. Maar zie wat ik in ‡ernigov gedaan heb: wilde paarden heb ik met blote handen met een lasso gevangen tien of twintig paarden, in het struikgewas, en bovendien heb ik langs de Ros’ rijdend met blote handen dezelfde wilde paarden gevangen. Twee oerossen hebben me met mijn paard op de hoorns genomen, een hert heeft me een stoot gegeven en twee elanden, een trapte op me met zijn poten, de ander stootte me met zijn hoorns. Een everzwijn rukte bij mijn dij mijn zwaard af, een beer beet bij mijn knie in de zadeldoek, een wild dier sprong op me af naar mijn dijen en wierp mij en mijn paard tegen de grond. En God heeft ervoor gezorgd dat ik ongedeerd bleef. En ik ben vaak van mijn paard gevallen, twee maal had ik een zware hersenschudding, ik heb verwondingen gehad aan mijn armen en benen, dat was in mijn jeugd, omdat ik levensgevaar niet meed en mijn hoofd niet spaarde. Wat mijn dienaar had moeten doen dat heb ik zelf gedaan, zowel in de oorlog als bij de jacht, overdag en ‘s nachts, bij hitte en bij koude, zonder dat ik mezelf rust gunde. Ik verliet me niet op mijn stadhouders of mijn herauten, ik deed zelf wat nodig was, alle zaken regelde ik zelf, ook in mijn eigen huis. En wat de jachtmeesters, de paardenknechten, de valkeniers en de havikknechten betreft, de organisatie van de jacht hield ik in eigen hand. Ook liet ik niet toe dat een armzalige boer of een arme weduwe door een machtig persoon werd gekrenkt en ik hield zelf toezicht op de kerkelijke administratie en de kerkdiensten. Veroordeel me niet, mijn kinderen of iemand anders die dit gelezen heeft, ik prijs niet mezelf of mijn stoutmoedigheid, maar ik prijs God en roem zijn genade dat hij mij als zondig en onwaardig mens zoveel jaren heeft behoed voor de dood en mij, ellendige, niet lui heeft gemaakt, maar alle menselijke zaken waardig. Waneer jullie dit geschrift lezen, begin dan spoedig met alle goede werken, onder het prijzen van God en zijn heiligen. Vreest, kinderen, niet de dood, de oorlog of wilde dieren, maar doe je mannelijke plicht, zoals God die jullie zal opleggen. Want zoals ik niet geleden heb door oorlog, een wild dier, water en een val van een paard, zo kan niemand van jullie gekwetst of gedood worden, zolang dat niet door God is beschikt. Maar wanneer de dood van God komt, dan kunnen noch je vader, noch je moeder, noch je broers je ervoor behoeden, maar wanneer het goed is op je hoede te zijn, goddelijke bescherming is beter dan menselijke. (Brief aan Oleg, zoon van Svjatoslav)[31] O zwaar beproefde en bedroefde mens die ik ben. Je strijdt veel tegen mijn hart, mijn ziel, en nu je mijn hart hebt overwonnen bedenk ik me hoe we, omdat we sterfelijk zijn, voor de vreselijke rechter zullen staan zonder boete gedaan te hebben en zonder ons verzoend te hebben. “Want als iemand zegt: Ik houd van God, maar niet van mijn broeder, is dat een leugen.”[32] En verder. “Als u uw broeder zijn overtredingen niet vergeeft, zal uw hemelse vader u niet vergeven.”[33]. De profeet zegt: ”Wees niet afgunstig op de bedrijvers van ongerechtigheid, benijd niet wie onrecht plegen.” Wat is het goed en schoon, als broeders bij elkaar wonen.”[34] Maar alles is lering van de duivel. Want er waren oorlogen in de tijd van onze wijze grootvaders en van onze goede en gezegende vaders. Want de duivel wenst niets goeds voor het mensengeslacht, hij zet ons aan tot twist. Ik heb je deze brief geschreven, omdat mijn zoon, die door jou is gedoopt en dichtbij je woont[35], me van de noodzaak heeft overtuigd. Hij stuurde een van zijn mannen naar me toe met de volgende boodschap: “Laten we vrede sluiten en ons verzoenen. Gods oordeel is over mijn broer gekomen. Maar laten u en ik hem niet wreken, maar het aan God overlaten, want zij (zijn moordenaars) zullen voor God komen te staan. Laten we het land van Rus’niet in het verderf storten.” En ik zag de deemoed van mijn zoon, kreeg medelijden en werd door Godsvrees bevangen. Ik zei: “ In zijn jeugdigheid en onwetendheid verdeemoedigt hij zich zo en vertrouwt het aan God toe; ik ben zondiger dan alle andere mensen.” Ik heb naar mijn zoon geluisterd en je de brief geschreven: of je hem welwillend ontvangt of met spot zal ik zien aan je antwoord. Met deze woorden ben ik je voor in wat ik ook van jou verwachtte, namelijk deemoed en berouw, omdat ik van God vergeving wil van mijn vroegere zonden. Want onze Heer is niet een mens, maar hij is de God van de hele wereld, die in een ogenblik kan doen wat hij wil. Zelf heeft hij scheldwoorden, bespuwing en slagen geduld en zich overgegeven tot aan de dood, terwijl hij heerste over leven en dood. Maar wat zijn wij, zondige en slechte mensen? Vandaag in leven, morgen dood, vandaag geroemd en geëerd, morgen in het graf en vergeten, terwijl anderen onze erfenis verdelen. Kijk, broer, naar onze beide vaders: wat hebben ze meegenomen of wat hebben ze aan hun kleren? Slechts wat ze voor hun ziel gedaan hebben. Had jij, broer, maar als eerste een brief met zulke woorden aan mij gestuurd, zodat je me voor was geweest. Toen ze mijn en jouw kind voor jouw ogen doodden, toen je zijn bloed en zijn kwijnend lichaam zag, als een net ontloken bloem, als een geslacht lam, toen had je, boven hem staande en verdiept in de gedachten van je ziel, moeten zeggen: “Wee mij! Wat heb ik gedaan? Gebruik makend van zijn onervarenheid heb ik omwille van de leugenachtigheid van deze illusoire wereld een zonde op me geladen en tranen gebracht aan zijn vader en moeder.” En je had, zoals David, moeten zeggen: “Ik ken mijn zonde, zij staat mij voortdurend voor de geest.” Niet omdat hij bloed had vergoten, maar omdat hij echtbreuk had gepleegd, bestrooide David,de gezalfde Gods, zijn hoofd en weende bitter; op dat moment vergaf God hem zijn zonden. Jij zou voor God boete moeten doen, mij een troostbrief schrijven en mijn schoondochter naar mij sturen, omdat er noch kwaad, noch goed in haar schuilt. Opdat ik haar zou kunnen omhelzen en huilen om haar man en hun huwelijk, in plaats van te zingen. Vanwege mijn zonden was ik eerder immers geen getuige van hun vreugde en de inzegening van hun huwelijk. Maar om Gods wil stuur haar onmiddellijk naar mij met de eerst bode, opdat ik na met haar te hebben geweend, hier voor haar een woning gereed kan maken. Zij zal daar neerstrijken, klagend als een duifje in een verdorde boom, en ik zal troost vinden in God. Deze weg gingen onze grootvaders en vaders; het vonnis over hem (Izjaslav) kwam van God, maar niet van jou. Als je toen je wens had gerealiseerd en Murom had ingenomen in plaats van Rostov[36] en mij een boodschap had gestuurd, dan waren we hiervandaan tot overeenstemming gekomen. Maar bedenk zelf, betaamde het mij een boodschap aan jou te sturen, of veeleer jou een aan mij? Als je mijn kind had bevolen: “Stuur een boodschap aan je vader”, tien maal had ik er een teruggestuurd. Is het verwonderlijk dat een man in de strijd is omgekomen? De besten zijn gesneuveld, ook in onze familie. Maar je moet niet andermans domein trachten te verkrijgen of mij te schande maken en in verdriet dompelen. Zijn dienaren hebben hem er immers toe aangezet om voor zichzelf bezit te verwerven, maar voor hem hebben ze daarmee het kwade bewerkstelligd. Maar als je begint boete te doen voor God en mij in een goede stemming brengt door je bode te sturen of een bisschop en je een brief schrijft met je belofte (van vrede), dan krijg je dat domein op een goede manier en stem je ons hart gunstig. De relaties tussen ons zullen dan beter worden, zoals vroeger. Ik ben niet je vijand, evenmin zoek ik wraak. Ik wilde bij Starodub niet je bloed zien.God geve niet dat ik bloed zal zien, vergoten door jouw handen, op mijn bevel of dat van enige broer. Als ik lieg, moge God en het Heilig Kruis over mij oordelen. Als ik een zonde heb begaan, toen ik je aanviel bij ‡ernigov vanwege de heidenen, dan heb ik daar spijt over; in het openbaar heb ik mijn spijt daarover tegenover mijn broers uitgesproken en dat nogmaals herhaald, want ik ben een mens. Als je het goede bedoelingen hebt, dan blijft het hierbij, als je kwaad wilt, dan zit je peetzoon met zijn kleine broer[37] bij jou in de buurt en eet het brood van zijn grootvader[38] en zit jij in jouw domein. Hierover moet je met ons tot overeenstemming komen. Wanneer je hen beiden wilt doden, dan zijn ze in jouw macht. Want ik wil niet het kwade maar het goede voor de broeders en voor het Russische land. Maar als je het met geweld wilt nemen, herinner je dan dat wij je bij Starodub uit barmhartigheid je vaderlijk erfdeel hebben gegeven. Maar God is getuige, met je broer zijn we tot overeenstemming gekomen[39], maar het helpt niet om zonder jou afspraken te maken. We hebben niets kwaads gedaan en evenmin gezegd: Ontbied je broer, opdat we tot een vergelijk kunnen komen. Als een van jullie geen goed wil of vrede voor de christenen, moge zijn ziel dan door God geen vrede zien in deze wereld. Niet uit dwang spreek ik tot je, niet uit mij door God gezonden ellende, je zult het zelf vernemen. Maar mij ziel is mij dierbaarder dan de hele wereld. Bij het Laatste Oordeel zal ik mijzelf, zonder aanklagers, beschuldigen, en zo verder. Gebed toegeschreven aan Vladimir Monomach Leermeester der wijsheid en gever van verstand, straffer van de onverstandigen en beschermer van de armen. Versterk mijn hart in verstand, Heer. Geef mij de gave des woords, Vader, en verhinder mijn lippen niet tot u te roepen: Barmhartige, ontferm u over een gevallene. God is mijn hoop, Christus mijn toevlucht, de Heilige Geest mijn beschutting. O mijn hoop en beschutting, wijs mij niet af, gij goede. Omdat ik u heb, helper in droefheid, ziekte en bij alle kwaad, roem ik u hooggeprezene. Begrijp en zie dat ik God ben, die de harten beproeft en de gedachten kent, die de daden openbaar maakt en de zonden veroordeelt, die recht spreekt over wezen, armen en behoeftigen. Buig je neer mijn ziel en denk aan de werken die je verricht hebt, neem ze voor ogen en laat de druppels van je tranen vloeien, beken openlijk al je daden en gedachten aan Christus en zuiver je. Heilige Andrej, zeer gezegende vader, herder van Kreta, bid onophoudelijk voor ons, uw vereerders, opdat wij verlost worden van onze toorn, droefheid, losbandigheid, zonde en ellende, terwijl we de herinnering aan u oprecht in ere houden. Maagd, zuivere moeder, behoed uw stad die onder uw hoede trouw heerst, moge ze door u worden versterkt en op u vertrouwen, in alle oorlogen overwinnen, tegenstanders omverwerpen en gehoorzaamheid betonen. O hooggeprezen Moeder, die gebaard hebt het Heilige Woord van alle heiligen. Wanneer u onze gehoorzaamheid aanvaardt, behoedt ons die u aanroepen dan voor allerlei onheil en toekomstige kwellingen. Wij, uw dienaren, bidden tot u en buigen de knieën van ons hart: neig uw oor naar ons, schone, verlos ons die voor altijd in smarten verzonken zijn, en beschut uw stad voor inname door de vijand, u Moeder Gods. O God, spaar uw erfgoed, veronachtzaam al onze zonden omdat u ziet dat we tot u bidden op de aarde, die u zonder zaad heeft gebaard, als aardse genade, u Christus die een mensengestalte heeft willen aannemen. Spaar mij, Heiland, die geboren is en ongeschonden bewaard heeft haar die u heeft gebaard, wanneer u zich zult neerzetten om te oordelen over mijn daden, omdat u zonder zonden en genadig bent, omdat u God bent en van mensen houdt. Zeer reine maagd, die het huwelijk niet ervaren hebt, Godgenadige, gids van de gelovigen. Red mij die verloren is en de Zoon aanroept: “Ontferm u over mij, Heer, ontferm u; wanneer u zult oordelen, veroordeel mij niet tot het vuur en klaag me niet aan in uw woede; dat bidt u de reine maagd die u, Christus, heeft gebaard, de engelenschaar en de gemeenschap der martelaren. Door Jezus Christus onze Heer, die eer en lof toekomt, in de naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest, nu en altijd, in alle eeuwigheid. Dan zal ik nu vertellen wat ik vier jaar geleden vernam van Gjurjata Rogovi¹, die aldus sprak: “Ik zond mijn dienaar naar de Pe¹era, een volk dat tribuut geeft aan Novgorod. Nadat mijn dienaar bij hun was aangekomen, vertrok hij vandaar naar de Jugra. De Jugra zijn een volk met een onverstaanbare taal, die in de noordelijke streken buren zijn van de Samojeden. De Jugra zeiden tegen mijn dienaar: “Wij zijn gestuit op een wonderbaarlijk wonder, waarvan wij niet eerder gehoord hadden. Het bestaat al drie jaar. Er zijn bergen die aflopen naar een zeebocht, hun hoogte lijkt tot de hemel te reiken. In die bergen is een luid geschreeuw en rumoer van stemmen te horen en ze hakken (stukken van) de berg af, omdat ze zich een weg naar buiten willen banen. In die berg is een klein raampje, waardoor ze roepen en hun taal is niet te begrijpen. Maar ze wijzen naar ijzer en maken handgebaren, om ijzer vragend; als iemand hun een mes of een bijl geeft, dan geven ze daarvoor pelzen in ruil. De weg naar die bergen is onbegaanbaar, door afgronden, sneeuw en bos en daarom kunnen we hen nooit bereiken; het is ook ver in het noorden.” Ik zei toen tegen Gjurjata: “Dat is het volk dat door Alexander, keizer van Macedonië, is opgesloten. Zoals Methodios van Patara over hun verhaalt, als hij zegt: de Macedonische keizer Alexander drong door tot de oostelijke landen tot aan de zee - de streek wordt Zonneplaats genoemd- en zag daar onreine mensen van de stam van Japhet en hij zag hun onreinheid: ze aten allerlei ongedierte, muggen, vliegen, katten en slangen. Lijken begroeven ze niet, maar aten ze op, evenals de misgeboorten van vrouwen en allerlei onreine dieren. Toen Alexander dat zag werd hij bang dat ze, naarmate ze zich zouden vermeerderen de aarde zouden verontreinigen en hij verdreef hen naar de noordelijke streken naar hoge bergen. En op Gods bevel sloten de hoge bergen zich om hen en lieten hun niet meer dan twaalf el ruimte. Daar werden poorten van brons opgericht, die werden ingesmeerd met sunklit[40]. En als ze die willen wegnemen, dan kunnen ze dat niet en evenmin kunnen ze ze met vuur verbranden; want sunklit heeft de volgende eigenschap: vuur is niet in staat het te verbranden en ijzer kan er geen vat op krijgen. Hierna, op de laatste dagen, zullen acht stammen uit de Etrivwoestijn tevoorschijn komen, en ook deze onreine volkeren die in de noordelijke bergen verblijven, op bevel van God. Maar we keren terug naar datgene waarover we eerder gesproken hebben. Ofschoon Oleg beloofd had zich naar zijn broer David in Smolensk te begeven en met zijn broer naar Kiëv te gaan om een verdrag te sluiten, wilde Oleg dat niet doen maar ging naar Smolensk, verzamelde zijn troepen en trok naar Murom, waar Vladimirs zoon Izjaslav toen was. Izjaslav nu kreeg het bericht dat Oleg oprukte naar Murom en liet troepen komen uit Suzdal’, Rostov en Beloozero. Hij bracht een grote troepenmacht bijeen. En Oleg stuurde zijn bodes naar Izjaslav, met de woorden: “Ga naar Rostov, het domein van je vader, want dit is het domein van mijn vader. En als ik hier zetel wil ik een verdrag sluiten met je vader. Want hij heeft mij verdreven uit de stad van mijn vader. Of wil ook jij me mijn brood niet geven?” Izjaslav gaf geen gehoor aan deze woorden, omdat hij vertrouwde op de omvang van zijn troepen. Oleg nu vertrouwde op zijn recht - want in dit opzicht had hij het gelijk aan zijn kant - en trok met zijn krijgers op naar de stad. Izjaslav plaatste zijn troepen in het gelid op de velden voor de stad. Oleg trok hem met zijn leger tegemoet, de twee legers raakten slaags en er ontstond een vreselijke strijd. En Izjaslav, de zoon van Vladimir en kleinzoon van Vsevolod, werd gedood op 6 september. De overige krijgers sloegen op de vlucht, sommigen door het bos, anderen naar de stad. Oleg trok de stad binnen en de inwoners ontvingen hem. Ze namen Izjaslav op, legden hem in het klooster van de Heilige en vandaar brachten ze hem over naar Novgorod. Ze zetten hem bij in de Heilige Sofia, aan de linkerzijde. Oleg nu nam na de inname van de stad de krijgslieden uit Rostov, Beloozero en Suzdal’gevangen, sloeg ze in de kluisters en trok met spoed op naar Suzdal’. Toen hij in Suzdal’ arriveerde, gaven de inwoners van de stad zich aan hem over. Oleg pacificeerde de stad, sommigen nam hij gevangen, anderen verbande hij en hij confisqueerde hun bezittingen. Daarna trok hij naar Rostov en ook de inwoners van die stad gaven zich aan hem over. En hij nam het hele gebied van Murom en Rostov in, stelde stadhouders aan over de steden en begon belasting te heffen. Mstislav zond vanuit Novgorod zijn gezant naar hem, met de woorden: “Vertrek uit Suzdal’naar Murom, ga niet in andermans domein zitten. En ik zal met mijn druûina een smeekschrift sturen aan mijn vader en ik zal je met mijn vader verzoenen. En als je mijn broer hebt gedood, is dat niet verwonderlijk, want in oorlogen sneuvelen zowel vorsten als krijgslieden. Oleg wilde hier echter geen gehoor aan geven. Veeleer was hij van zins ook Novgorod in te nemen. En Oleg stuurde Jaroslav, zijn broer, als voorhoede maar zelf bleef hij in het veld bij Rostov. Mstislav nu beraadde zich met de mannen van Novgorod en ze stuurden Dobrynja Raguilovi¹ als voorhoede voor zich uit. Dobrynja nam allereerst de belastinginners gevangen. Toen Jaroslav vernam dat de belastinginners gevangengenomen waren - Jaroslav stond als voorhoede an de Medvedica – vluchtte hij diezelfde nacht en spoedde zich naar Oleg. Hij vertelde hem dat Mstislav naderde en dat de mannen van de voorhoede gevangen genomen waren en hij trok op naar Rostov. Mstislav nu ging naar de Volga en ze vertelden hem dat Oleg zich had teruggetrokken naar Rostov en Mstislav ging achter hem aan. Oleg trok naar Suzdal en toen hij hoorde dat Mstislav achter hem aan zat, beval hij de stad Suzdal’ in brand te steken, waarbij slechts de kloosterhof van het Holenklooster behouden bleef evenals de kerk van de Heilige Dmitij, die Efrem samen met de dorpen geschonken had. Oleg vluchtte echter naar Murom en Mstislav ging naar Suzdal. Toen Mstislav daar zat, stuurde hij een bode naar Oleg met een vredesverzoek en liet het volgende zeggen: “Ik ben jonger dan jij, wend je tot mijn vader en geef de druûina die je krijgsgevangen hebt genomen terug; en ik zal je in alles gehoorzamen.” Oleg stuurde een bode naar hem toe en veinsde naar vrede te verlangen. Mstislav hechtte geloof aan zijn veinzerij en zond zijn druûina weg naar de dorpen. Inmiddels was de Fjodorweek van de Grote Vasten ingegaan en was het de zaterdag van de Heilige Fjodor. Terwijl Mstislav zat te eten kreeg hij de boodschap dat Oleg bij de Kljazma was gearriveerd, zonder zijn komst aan te kondigen. Mstislav, die hem vertrouwde, had geen wachters uitgezet. Maar God weet hoe hij zijn vrome dienaren van bedrog moet verlossen. Oleg echter hield halt bij de Kljazma, omdat hij meende dat Mstislav uit vrees voor hem op de vlucht zou slaan. Op diezelfde en de volgende dag verzamelde zich Mstislavs druûina bij hem, mannen uit Novgorod, Rostov en Beloozero. En Mstislav nam positie in voor de stad, nadat hij zijn druûina in slagorde had opgesteld. Maar noch viel Oleg Mtsislav aan, noch Mstislav Oleg, en zo stonden zij gedurende vier dagen tegenover elkaar. En toen kreeg Mstislav de boodschap: “Je vader heeft je broer Vja¹eslav met de Polovcen naar jou toe gezonden.” Vja¹eslav arriveerde op donderdag na de Fjodorweek, in de Vasten. En op vrijdag rukte Oleg in slagorde op naar de stad en Mstislav trok hem tegemoet met de mannen uit Novgorod en Rostov. Mstislav gaf het vaandel van Vladimir aan een van de Polovcen, Kunuj genaamd, gaf hem voetvolk mee en stelde hem op aan de rechterflank. En Kunuj bracht het voetvolk in positie en ontvouwde het vaandel van Vladimir. Toen Oleg het vaandel van Vladimir zag maakte ontzetting zich van hem en zijn strijders meester. En ze trokken tegen elkaar ten strijde, Oleg tegen Mstislav en Jaroslav tegen Vja¹eslav. Mstislav trok met de mannen uit Novgorod door een verbrand terrein, de Novgoroders stegen van hun paarden en ze raakten slaags aan de Kolokëa. Er ontstond een hevige strijd en Mstislav begon de overhand te krijgen. Toen Oleg zag dat Vladimirs vaandel oprukte en zijn achterhoede begon te bereiken, werd hij bang en vluchtte. Mstislav behaalde de overwinning. Oleg vluchtte naar Murom, waar hij Jaroslav insloot, en ging zelf naar Rjazan’. Mstislav trok naar Murom en sloot vrede met de inwoners van die stad. Mstislav nam vervolgens zijn mensen mee, mannen uit Rostov en Suzdal’, en ging naar Rjazan’, achter Oleg aan. Maar Oleg vluchtte uit Rjazan’ en toen Mstislav daar aankwam, sloot hij vrede met de inwoners van Rjazan’en bevrijdde zijn mannen, die Oleg gevangen had genomen. En hij stuurde een boodschapper naar Oleg, met de woorden: “Vlucht nergens meer heen, maar wend je tot je broers met het verzoek jou niet van het Russische land te beroven. En ik zal me tot mijn vader wenden en om zijn gunst voor jou vragen.” En Oleg beloofde dat te doen. Toen keerde Mstislav weer terug naar Suzdal’ en vandaar ging hij naar Novgorod, zijn eigen stad, dankzij de gebeden van de vrome bisschop Nikita. Dit gebeurde tegen het einde van het jaar 6604, op de helft van de vierde indictie. In 6605 (1097) kwamen Svjatopolk, Vladimir, David Igorevi¹, Vasilko Rostislavi¹, David Svjatoslavi¹ en zijn broer Oleg bijeen in Ljube¹ om vrede te stichten. Zij zeiden tegen elkaar: “Waarom richten we het Russische land ten gronde door onze onderlinge strijd? En de Polovcen verscheuren ons land en verheugen zich omdat er twist heerst tussen ons. Laten we daarom vanaf heden eensgezind zijn en het land van Rus’ beschermen. Laat ieder zijn vaderlijk erfdeel behouden, Svjatopolk Kiëv als erfgenaam van Izjaslav, Vladimir het domein van zijn vader Vsevolod en David, Oleg en Jaroslav het domein van Svjatoslav. En de steden die Vsevolod verdeeld heeft blijven in handen van de houder: David behoudt Vladimir, van Rostislavs zonen behoudt Volodar’Peremyël’ en Vasil’ko Tereboval’. En hierop kusten zij het kruis: “Als vanaf nu iemand een ander zal aanvallen, dan zullen wij ons allen tegen hem keren en het Heilig Kruis.” En allen zeiden: “Moge het Heilig Kruis en heel het Russische land tegen hem zijn.” Zij kusten elkaar en ieder ging zijns weegs. Svjatopolk kwam met David in Kiëv aan en alle mensen verheugden zich: alleen de duivel was bedroefd over deze eensgezindheid.[41] En Satan drong binnen in het hart van enkele mannen en dezen richtten zich tot David Igorevi¹ met de volgende woorden : “Vladimir heeft zich met Vasilko verbonden tegen Svjatopolk en jou.” David hechtte geloof aan deze leugenachtige woorden en begon Vasilko (tegenover Svjatopolk) te belasteren, zeggende: “Wie heeft jouw broer Jaropolk gedood, beraamt nu plannen tegen mij en jou en heeft zich verbonden met Vladimir? Wees beducht voor je hoofd.” Svjatopolks geest raakte in verwarring en hij zei: “Ik weet niet of dit waar is of een leugen.” En Svjatopolk sprak tot David: “Wanneer je de waarheid spreekt, zij God je getuige, maar als je uit rancune spreekt zal God achter die andere staan.” Svjatopolk was bedroefd vanwege zijn broer en begon te overwegen of het waar was. En hij geloofde David, die Svjatopolk zo bedroog, en ze begonnen zich te beraden over Vasilko; maar Vasilko, noch Vladimir wisten dit. En David begon aldus: “Als we Vasilko niet te pakken krijgen, zul jij niet regeren in Kiëv en ik niet in Vladimir.” En Svjatopolk luisterde naar hem. Vasilko kwam op 4 november en begaf zich naar Vydoby¹’ om in het klooster voor de Heilige Michail te bidden. Hij genoot daar ook het avondmaal, maar zijn kamp sloeg hij op bij Rudica; bij het vallen van de avond keerde hij naar zijn kamp terug. De volgende ochtend zond Svjatopolk een bode naar hem toe met deze boodschap: “Ga niet weg vóór mijn naamdag.” Maar Vasilko weigerde en zei: “Ik kan niet wachten, anders breekt er in mijn gebied een conflict uit.” Ook David stuurde hem een boodschap: “Vertrek niet, broeder, geef gehoor aan het verzoek van je oudere broer. Maar Vasilko wilde niet luisteren. Toen zei David tegen Svjatopolk: “Zie je, hij bekommert zich niet om jou, hoewel hij zich in jouw handen bevindt. Als hij naar zijn gebied vertrekt, dan zul je zelf zien of hij niet Turov, Pinsk en je andere steden zal innemen. Dan zul je aan me denken. Maar ontbied hem nu, neem hem gevangen en geef hem aan mij.” Svjatopolk volgde zijn advies en ontbood Vasilko, zeggende: “Als je niet tot mijn naamdag wilt blijven, kom dan nu, dan kun je me begroeten en kunnen we met David wat bij elkaar zitten.” Vasilko beloofde te komen, zonder te weten dat David een list tegen hem beraamde. Vasilo sprong op zijn paard, reed weg en kwam een van zijn knechten tegen, die hem zei: “Ga niet, vorst, ze willen je gevangen nemen.” Maar hij luisterde niet naar hem, omdat hij dacht: “Hoezo willen ze me gevangen nemen. We hebben kort geleden het Kruis gekust met de woorden: als de een zich tegen de ander zal verheffen, dan zullen het Kruis en wij allen tegen hem opstaan.” En nadat hij dit bij zichzelf overwogen had, maakte hij het kruisteken en zei: “Laat de wil des Heren geschieden.” En hij kwam met een klein gevolg bij het hof van de vorst aan, waar Svjatopolk hem tegemoet kwam. Ze gingen het huis binnen, David kwam en ze zetten zich neer. Svjatopolk begon het gesprek: “Blijf voor het feest.” Vasilko antwoordde: “Ik kan niet blijven, broeder, ik heb mijn mannen al bevolen met de karren verder te trekken.” David echter zat erbij alsof hij stom was. Svjatopolk zei: “Ga ontbijten, broeder.” En Vasilo beloofde te ontbijten. Svjatopolk zei: “Blijven jullie hier zitten, ik ga iets in orde brengen.” En hij ging naar buiten, terwijl David en Vasilko bleven zitten. Vasilko begon tegen David te spreken maar David had geen stem of gehoor, omdat hij door angst was gegrepen en list in zijn hart koesterde. En nadat Vasilko een tijdje had gezeten, zei hij: “Waar is onze broeder?” Men zei hem echter: “Hij staat in de hal.” David stond op en zei: “Ik ga hem halen, blijf jij, broeder, zitten.” En nadat hij was opgestaan, ging hij weg. Toen David naar buiten was gegaan, sloten ze Vasilko op; het was 5 november. Ze ketenden hem met dubbele boeien en zetten bewakers bij hem, voor de nacht. De volgende morgen riep Svjatopolk de bojaren en inwoners van Kiëv bijeen en vertelde hun wat David hem gezegd had: “Hij (Vasilko) heeft je broer gedood en hij heeft zich met Vladimir tegen jou verbonden. Hij wil je doden en je steden innemen.” En de bojaren en het volk zeiden: “Je moet, vorst, je leven beschermen. Als David de waarheid heeft gesproken, dan zal Vasilko straf krijgen; maar als David onwaarheid heeft gesproken, dan zal hij de wraak van God ontvangen en moet hij zich voor God verantwoorden. De abten vernamen hiervan en richtten ten behoeve van Vasilko smeekbeden tot Svjatopolk. Svjatopolk sprak tot hen: “Daar is David.” Toen David hiervan hoorde begon hij erop aan te dringen dat hij blind gemaakt zou worden: “Als je dat niet doet, maar hem vrij laat, dan zullen noch jij, noch ik verder regeren.” Svjatopolk wilde hem vrijlaten, maar David was daar tegen, omdat hij beducht voor hem was.En die nacht brachten ze hem naar Belgorod, een kleine stad die op ongeveer 10 werst van Kiëv verwijderd ligt. Ze vervoerden hem geboeid op een kar, tilden hem eraf en brachten hem naar een klein huis. En toen Vasilko daar zat, zag hij een Turk een mes slijpen en begreep dat ze hem blind wilden maken. Onder hevig geween en gekreun riep hij tot God. Toen kwamen de mannen van Svjatopolk en David binnen, Snovid Ize¹evi¹, de paardenknecht van Svjatopolk, en Dmitr, de paardenknecht van David, en ze begonnen een vloerkleed uit te spreiden. Na het uitgespreid te hebben grepen ze Vasilko vast en wilden hem erop gooien; en hij vocht hevig met hen zodat ze hem er niet op konden gooien. Toen kwamen er anderen bij, wierpen hem neer en bonden hem vast. Ze namen een plank van de kachel en legden die op zijn borst. En Snovid Ize¹evi¹ en Dmitr gingen op de uiteinden zitten, maar ze konden hem niet houden. Er kwamen twee anderen, die een andere plank van de kachel namen en hierop gingen zitten. En ze drukten zo krachtig op hem dat zijn borst kraakte. Toen kwam de Turk, Berendi genaamd, Svjatoplks schapenhoeder, met het mes in zijn hand en wilde daarmee in het oog steken. Hij miste het oog en sneed hem in het gezicht. Deze wond heeft Vasilko tot op de huidige dag. En daarna stak hij hem in het oog, nam de pupil eruit en daarna in het andere oog en nam ook die pupil eruit. Op dat moment was hij als dood. Ze tilden hem met het vloerkleed op, legden hem als dood op de kar en reden hem naar Vladimir. En onderweg hielden ze met hem halt op een marktplaats, nadat ze de brug bij Zviûden waren gepasseerd. Ze trokken hem het bebloede hemd uit en gaven het aan de vrouw van de pope om te wassen. Nadat de vrouw het gewassen had, trok ze het hem aan, terwijl zij aan het eten waren. De vrouw van de pope begon te huilen, omdat hij als dood was. En hij hoorde het geween en vroeg: “Waar ben ik?” Zij zeiden tegen hem: “In de stad Zviûden.” Hij vroeg om water en ze gaven hem dat. Nadat hij van het water gedronken had, keerde het leven weer in hem terug. Hij kwam bij, voelde aan zijn hemd en zei: “Waarom hebben jullie het me uitgetrokken? Had ik maar in dit bebloede hemd de dood gevonden en voor God gestaan.” Nadat zij gegeten hadden reden ze met de kar snel verder over de door de vorst oneffen weg, want het was de maand Gruden, dat wil zeggen november. En ze kwamen met hem aan in Vladimir op 6 november. Ook David was meegekomen, alsof hij een buit had behaald. En ze huisvestten hem in het hof van Vakey en zetten daar 30 man neer om hem te bewaken en twee knechten van de vorst, Ulan en Kol¹ko. Toen Vladimir hoorde dat Vasilko gevangen genomen en blind gemaakt was raakte hij ontzet en wenend sprak hij: “Een dergelijk kwaad is in het Russische land nooit geschied, noch ten tijde van onze grootvaders, noch van onze vaders.” En onmiddellijk stuurde hij een bode naar Svjatoslavs zonen David en Oleg, die hij liet zeggen: “Komen jullie naar Gorodec, opdat we dit kwaad goedmaken, dat zich heeft voltrokken in het land van Rus' en aan ons, als broeders, omdat het mes naar ons is geworpen. Want als we dit niet goedmaken zal er nog groter kwaad over ons komen, en zal de ene broer de andere broer afslachten. Het land van Rus’ zal ten onder gaan en onze vijanden, de Polovcen, zullen komen en Rus’ bezetten.” Toen David en Oleg dit hoorden, werden ze erg bedroefd, begonnen te wenen en zeiden: “Dit is nog nooit gebeurd in ons geslacht.” En nadat ze onmiddellijk krijgers verzameld hadden, arriveerden ze bij Vladimir. Deze hield zich met zijn troepen in het bos op. Vladimir, David en Oleg zonden hun mannen naar Svjatopolk, zeggende: “Wat heb je voor kwaad bedreven in het land van Rus’ en waarom heb je het mes te midden van ons geworpen? Waarom heb je je broeder blind gemaakt? Als je vond dat hem schuld trof, had je hem ten overstaan van ons moeten aanklagen en had je, na zijn schuld te hebben aangetoond, aldus kunnen optreden.” Svjatopolk antwoordde: “David Igorevi¹ heeft mij verteld dat Vasilko mijn broer Jaropolk heeft gedood en dat hij ook mij wil doden en dat hij mijn erfgoed wil innemen: Turov, Pinsk, Berestje en Pogorina. En dat hij met Vladimir gezworen heeft dat Vladimir zal zetelen in Kiëv en Vasilko in Vladimir. Ik was gedwongen mijn leven te beschermen en niet ik heb hem zijn ogen uitgestoken, maar David, die hem vervolgens heeft meegenomen.” De mannen van Vladimir, David en Oleg zeiden hierop: “Rechtvaardig jezelf niet, door te verklaren dat David hem blind gemaakt heeft. Hij is niet in Davids stad gevangen en blind gemaakt, maar dat is in jouw stad gebeurd.” En nadat ze aldus gesproken hadden, gingen ze uiteen. De volgende ochtend wilden ze over de Dnepr oprukken tegen Svjatopolk, die echter uit Kiëv wilde vluchten. Maar de inwoners van Kiëv stonden hem niet toe te vluchten en ze zonden de weduwe van Vsevolod en metropoliet Nikola naar Vladimir met de boodschap: “We smeken jou, vorst, en je beide broers het land van Rus’ niet in het verderf te storten. Want als jullie onderling de strijd aangaan, dan zullen de heidenen zich verheugen en ons land innemen dat jullie vaders en grootvaders met grote inspanning en moed hebben verworven. Ze hebben strijd geleverd voor Rus’ en andere gebieden veroverd en nu willen jullie het Russische land te gronde richten.” De weduwe van Vsevolod en de metropoliet kwamen dan bij Vladimir, smeekten hem en brachten het verzoek van de inwoners van Kiëv over om vrede te sluiten, het Russische land te behoeden en oorlog te voeren tegen de heidenen. Toen Vladimir dit hoorde begon hij te wenen en zei: “Inderdaad, onze vaders en grootvaders hebben het land van Rus’ bewaard en wij zouden het te gronde willen richten.” En hij willigde het verzoek van de vorstin in, omdat hij haar omwille van zijn vader eerde als een moeder[42]; want hij werd zeer bemind door zijn vader en noch tijdens diens leven, noch na diens dood is hij hem in enig opzicht ongehoorzaam geweest. Daarom gehoorzaamde hij haar als een moeder. Tevens respecteerde hij de metropoliet om zijn bisschoppelijke waardigheid en hij reageerde niet afwijzend op zijn verzoek. Want Vladimir was zo liefdevol: hij koesterde liefde voor metropolieten, bisschoppen en abten. Vóór alles beminde hij de monnikenstand en de monniken. Als zij bij hem kwamen gaf hij hun te eten en te drinken, zoals een moeder haar kinderen. Als hij zag dat iemand rumoer maakte of in verlegenheid was gebracht veroordeelde hij hem niet, maar schikte alles in der minne en troostte hem. Maar laten we naar het onderwerp terugkeren. Nadat de vorstin bij Vladimir was geweest, keerde ze terug naar Kiëv en vertelde alles wat er gezegd was aan Svjatopolk en de inwoners van Kiëv, namelijk dat er vrede zou komen. En ze begonnen gezanten uit te wisselen en kwamen overeen dat ze het volgende tegen Svjatopolk zouden zeggen: “David is verantwoordelijk voor deze onrust; daarom moet jij, Svjatopolk, tegen David optrekken en hem ofwel gevangen nemen ofwel verjagen.” Nadat Svjatopolk hiermee akkoord was gegaan, kusten ze onderling het kruis en sloten vrede. Toen Vasilko in Vladimir verbleef, op bovengenoemde plaats, en de grote vasten naderde, was ook ik[43] in Vladimir en werd op een nacht door vorst David ontboden. Ik kwam bij hem, terwijl zijn druûina om hem heen zat, hij liet me zitten en zei me: “Hoor, Vasilko heeft vannacht tegen Ulan en Kol¹a het volgende gezegd: ‘Ik hoor dat Vladimir en Svjatopolk ten strijde trekken tegen David; als David naar mij zou luisteren, dan zou ik een van mijn mannen naar Vladimir sturen met het verzoek terug te keren. Want ik weet wat ik met hem heb besproken, en hij zal niet verder oprukken.’ Welnu, Vasilij, ik stuur je met een boodschap, ga met deze twee jongemannen naar je naamgenoot Vasilko en zeg het volgende tegen hem: “Als je een van jouw mannen wilt sturen en Vladimir keert terug, dan geef ik je de stad die je verkiest, Vsevoloû’, žepol’of Peremil’.” Ik ging toen naar Vasilko en vertelde hem alles wat David gezegd had. Hij antwoordde echter: “Dat heb ik niet gezegd, maar ik hoop op God. Ik zal een bode naar Vladimir sturen dat ze niet om mijnentwil bloed moeten vergieten. Maar het verwondert me dat hij me zijn stad geeft, maar Terebovl’ is van mij, het is mijn domein, nu en later”; zoals ook geschiedde, want spoedig kreeg hij zijn domein terug. Tegen mij zei hij echter: “Ga naar David en zeg hem: stuur Kulmej naar me toe, dan zend ik hem naar Vladimir.” David gaf hier geen gehoor aan en stuurde mij terug met de woorden: “Kulmej is niet hier.” En Vasilko zei tegen me: “Ga even zitten.” Hij beval zijn dienaar weg te gaan, ging bij me zitten begon met de volgende redenering: “Ik hoor dat David me wil uitleveren aan de Lechen; heeft hij zich nog niet genoeg aan mijn bloed verzadigd en wil hij zich nog meer verzadigen, dat hij me aan hen uitlevert? Want ik heb de Lechen veel kwaad gedaan en dat wilde ik doen om het Russische land te wreken. En als hij me aan de Lechen uitlevert, ik vrees de dood niet. Maar ik zeg je naar waarheid dat God mij heeft bezocht om me te verheffen: toen mij het bericht bereikte dat de Berendi¹en, de Pe¹enegen en de Torken tegen mij optrokken, dacht ik bij mezelf: als de Berendi¹en, de Pe¹enegen en de Torken mij aanvallen, zeg ik tegen mijn broeders Volodar en David: geef mij het jongere deel van jullie gevolg maar jullie beiden moeten drinken en vrolijk zijn. En ik dacht: in de winter zal ik het land van de Lechen binnenvallen en in de zomer zal ik het in bezit nemen en zo Rus’ wreken. En daarna wilde ik de Donaubulgaren overmeesteren en ze in mijn gebied vestigen. Vervolgens wilde ik Svjatopolk en Vladimir verzoeken op te trekken tegen de Polovcen, opdat ik of roem zou verkrijgen of mijn leven zou geven voor het Russische land. Een andere plan koesterde ik niet in mijn hart, noch jegens Svjatopolk, noch jegens David. En ik zweer bij God en zijn wederkomst dat ik in geen enkel opzicht kwaad in de zin heb gehad tegen mijn broeders. Maar vanwege mijn zelfverheerlijking [dat de Berendi¹en tegen mij optrokken mijn hart blij was en mijn geest zich verheugde], heeft God mij ten val gebracht en vernederd.” Daarna, toen Pasen naderde, rukte David uit omdat hij het domein van Vasilko in bezit wilde nemen; en Volodar’, Vasilo’s broer, ontmoette hem bij Buû’sk[44]. Maar David durfde de strijd tegen Vasilko’s broer Volodar’ niet aan en verschanste zich in Buû’sk. Volodar’ belegerde hem in de stad. En Volodar’ begon te spreken: “Jij die kwaad gedaan hebt, waarom heb je geen berouw? Besef tenminste hoeveel kwaad je gedaan hebt.” David begon echter de schuld op Svjatopolk af te schuiven en zei: “Heb ik dat gedaan, was het dan in mijn stad? Ik was zelf bang dat ze ook mij zouden grijpen en net zo zouden doen. Ik moest wel deelnemen aan het complot, omdat ik in hun macht was.” Volodar’zei: “God is er getuige van, maar laat nu mijn broer vrij en ik zal vrede met je sluiten.” David was verheugd, liet Vasilko halen, bracht hem naar Volodar’en leverde hem aan hem over. Er werd vrede gesloten en ze gingen uiteen. En Vasilko nam zijn zetel in Terebovl’ in en David ging naar Vladimir. Toen de lente was aangebroken trokken Volodar’en Vasil’ko op tegen David. Ze kwamen aan bij Vsevoloû’, maar David verschanste zich in Vladimir. Nadat ze Vsevoloû’ belegerd hadden, namen ze de stad stormenderhand in en staken hem in brand. De mensen vluchtten voor de brand en Vasil’ko beval ze allemaal te doden. Zo nam hij wraak op onschuldige mensen en vergoot onschuldig bloed. Daarna bereikten ze Vladimir, waar David zich had verschanst, en ze omsingelden de stad. En ze stuurden een gezant naar de inwoners van Vladimir, met de boodschap: “We komen niet voor jullie stad, noch voor jullie, maar voor onze vijanden, voor Turjak, Lazar’en voor Vasil’, want zij hebben David overgehaald en naar hen heeft hij geluisterd en dit kwaad gedaan. Dus als jullie voor hen willen vechten, dan zijn we bereid, maar lever liever onze vijanden uit.” Toen de stedelingen dit hoorden, belegden ze een ve¹e en de mensen zeiden tegen David: “Lever deze mannen uit, we zullen niet voor ze vechten, maar voor jou kunnen we wel vechten. Anders openen we de stadspoorten en dan moet je voor jezelf zorgen.” En hij moest ze uitleveren. David zei: “Ze zijn hier niet.” Want hij had hen naar Lu¹esk[45] gestuurd. Nadat ze naar Lu¹esk waren gegaan, vluchtte Turjak naar Kiëv en keerden Lazar’en Vasil’ terug naar Turijsk. Het volk hoorde dat ze in Turijsk waren en schreeuwde naar David: “Lever uit die ze van je verlangen; anders geven we ons over.” Nadat David Vasil’ en Lazar’ had laten overkomen, bracht hij hen en leverde ze uit. En op zondag sloten ze vrede. En de volgende dag, bij zonsopgang, hingen de mannen van Vasil’ko Vasil’ en Lazar’ op, doorboorden hen met pijlen en verwijderden zich van de stad. Hiermee nam hij twee maal wraak. Het was niet passend dit te doen, omdat God de wreker had moeten zijn, en het aan God was zijn wraak op te leggen, zoals ook de profeet gezegd heeft: “Ik zal wraak oefenen aan mijn tegenstanders en vergelding brengen over wie mij haten”[46], omdat hij het bloed van zijn zonen wreekt en zal wreken en wraak zal nemen op zijn vijanden en op wie hem haten. Nadat zij van de stad waren weggegaan, werden de twee naar beneden gehaald en begraven. Svjatopolk, die beloofd had David te verjagen, ging naar Berestje, naar de Lechen. Toen David dit hoorde, ging hij naar Lechenland naar Volodislav, om hulp te zoeken. De Lechen beloofden hem te helpen, namen 50 grivna goud van hem in en zeiden: “Kom met ons mee naar Berestje[47], omdat Svjatopolk ons uitnodigt voor een bijeenkomst, en daar zullen we jou met Svjatopolk verzoenen.” David gaf hieraan gehoor en ging met Volodislav naar Berestje. Svjatopolk bleef in de stad en de Lechen hielden halt bij de Bug; Svjatopolk voerde door middel van gezanten onderhandelingen met de Lechen en gaf hun grote geschenken om hen tegen David in te nemen. Volodislav sprak tot David: “Svjatopolk luistert niet naar me, keer daarom terug.” Toen ging David naar Vladimir; Svjatopolk sloot een overeenkomst met de Lechen en ging naar Pinsk, na zijn krijgers te hebben opgeroepen. En hij kwam aan in Dorogobuû, wachtte daar op zijn troepen en trok op naar Davids stad. David verschanste zich in de stad, in de verwachting dat de Lechen hem te hulp zouden komen, want ze hadden hem gezegd: “Als de Russische vorsten tegen jou ten strijde trekken, dan zullen wij je helpen.” Maar ze logen tegen hem, door goud aan te nemen van zowel David als van Svjatopolk. Svjatopolk omsingelde toen de stad en belegerde hem zeven weken; David begon hem te verzoeken: “Laat me uit de stad vertrekken.” Svjatopolk beloofde het hem, ze kusten onderling het kruis en David verliet de stad en ging naar ‡erven. Svjatopolk trok de stad binnen op paaszaterdag en David vluchtte naar Lechenland. Nadat hij David had verjaagd, begon Svjatopolk plannen te smeden tegen Volodar’ en Vasilko. Hij zei: “Dit is het domein van mijn vader en broer”, en trok tegen hen ten strijde. Toen ze dit hoorden trokken Volodar’ en Vasilko hem tegemoet en namen het kruis mee waarbij hij tegenover hen gezworen had: “Ik ben gekomen om te vechten tegen David, maar met jullie beiden wil ik vrede en vriendschappelijke betrekkingen hebben.” Svjatopolk verbrak de eed, vertrouwend op de omvang van zijn strijdmacht. Het kwam tot een treffen op het veld van Roûne, waar beide partijen hun troepen voor de strijd hadden opgesteld. Vasilko hief het kruis en zei: “Dit heb je gekust, eerst heb je het licht uit mijn ogen weggenomen en nu wil je me het leven benemen. Moge dit kruis tussen ons in staan.” Ze trokken tegen elkaar ten strijde, de legers raakten slaags en veel vrome mensen zagen hoe het kruis zich hoog verhief boven de troepen van Vasilko. Er ontspon zich een hevige strijd, waarin van beide legers veel krijgers sneuvelden. En toen Svjatopolk zag hoe zwaar de strijd was, sloeg hij op de vlucht en vluchtte naar Vladimir. Volodar’ en Vasilko bleven na hun overwinning op dezelfde positie en zeiden: “Het is voor ons voldoende binnen onze grens te blijven” en ze trokken niet verder. Svjatopolk vluchtte naar Vladimir en met hem twee van zijn zoons, de twee zoons van Jaropolk, Svjatoëa, de zoon van David Svjatoslavi¹, en de rest van zijn gevolg. Svjatopolk installeerde in Vladimir zijn zoon Mstislav, die hij had verwekt bij een concubine, en Jaroslav stuurde hij naar Hongarije, om de Hongaren op te zetten tegen Volodar’. Zelf ging hij naar Kiëv. Svjatopolks zoon Jaroslav nu keerde terug met Hongaren, waaronder koning Koloman[48] en twee bisschoppen, en ze hielden halt aan de Vagr[49] bij Peremyël’. Volodar’ verschanste zich in de stad. Rond die tijd was David teruggekeerd uit Lechenland en had zijn vrouw achtergelaten bij Volodar. Hij ging zelf naar de Polovcen en werd ontvangen door Bonjak. David keerde terug en beiden trokken op tegen de Hongaren. Tijdens hun opmars sloegen ze een nachtleger op. Toen het middernacht was stond Bonjak op, reed weg van zijn krijgers en begon als een wolf te huilen. Een wolf beantwoordde zijn gehuil en daarna begonnen veel wolven te huilen. Nadat Bonjak was teruggekeerd vertelde hij David: “Morgen zullen wij de Hongaren overwinnen.” De volgende ochtend stelde Bonjak zijn krijgers op; David had 100 en hij zelf 300 krijgers. Hij verdeelde ze in drie eenheden en trok op tegen de Hongaren. En hij stuurde Altunopa met 50 man als stoottroep ten aanval, David stelde hij op onder het banier, en zijn eigen krijgers splitste hij op in twee eenheden van 50 man. De Hongaren waren echter in afdelingen opgesteld, want het aantal Hongaren bedroeg 100.000. Altunopa viel de eerste afdeling aan en na pijlen te hebben afgeschoten vluchtte zijn troep voor de Hongaren uit. De Hongaren joegen achter hen aan. Al rennend passeerden ze Bonjak, die hen achtervolgde en van achteren op hen in hakte. Toen wendde Altunopa zich om en ze gaven de Hongaren geen gelegenheid zich om te keren. Zo sloegen ze vele malen op hen in en dreven hen op een hoop. Bonjak nu verdeelde zijn mannen in drie groepen en ze joegen de Hongaren als in een kluwen bijeen zoals een valk kauwen bijeenjaagt. En de Hongaren sloegen op de vlucht en velen verdronken in de Vagr en anderen in de San. Terwijl ze langs de San de oever op vluchtten, duwden ze elkaar naar beneden. Twee dagen lang joegen ze achter hen aan, op hen inhouwend. Daar doodden ze ook hun bisschop Kupan en veel bojaren; er werd verteld dat er 40 duizend man is omgekomen. Jaroslav vluchtte naar Lechenland en arriveerde in Berestje. David, die Sutejska en ‡erven had ingenomen, verscheen plotseling (voor Vladimir) en nam inwoners van de stad gevangen. Maar Mstislav verschanste zich in de stad met zijn garde, want hij had mannen uit Berestje, Pinsk en Vygoshev. David sloeg het beleg voor de stad, die hij omsingeld had, en ondernam vaak aanvallen. Een maal rukten ze op tot vlak onder de torens van de stad, terwijl de anderen zich vanuit de stad verdedigden. Beide partijen beschoten elkaar en de pijlen vielen als regen. Toen Mstislav, staande op de stadsmuur, een pijl wilde afschieten werd hij plotseling door een pijl, die door een spleet tussen de planken vloog, in de borst getroffen. Ze voerden hem af en diezelfde nacht overleed hij. Ze hielden zijn dood drie dagen geheim, maar op de vierde dag vertelden ze het op de ve¹e[50]. En de mensen zeiden: “Zie, de vorst is gedood. Als we ons overgeven, zal Svjatopolk ons allen ombrengen.” En ze zonden een bode naar Svjatopolk met de woorden: “Zie , je zoon is gedood en wij komen om van de honger. Als je niet komt, wil het volk zich overgeven, omdat ze de honger niet kunnen verdragen.” Svjatopolk stuurde echter zijn legeraanvoerder Putjata. Deze kwam met zijn leger aan in Lu¹esk bij Svjatoëa, Davids zoon, en daar bij Svjatoëa waren mannen van David, want Svjatoëa had aan David gezworen: “Als Svjatopolk tegen je optrekt, dan zal ik het je vertellen.” En dat deed Svjatoëa niet maar hij nam Davids mannen gevangen en trok zelf op tegen David. Svjatoëa en Putjata kwamen op 5 augustus in de middag aan, terwijl Davids krijgers de stad belegerden en David sliep. Ze vielen hen aan en begonnen ze neer te houwen. De stedelingen deden een uitval en begonnen Davids krijgers neer te maaien. David vluchtte evenals zijn neef Mstislav. Svjatoëa en Putjata namen de stad in en stelden Vasil als stadhouder van Svjatopolk aan. En Svjatoëa ging naar Lu¹esk en Putjata naar Kiëv. David vluchtte naar de Polovcen en Bonjak ontmoette hem. David en Bonjak trokken op naar Lu¹esk tegen Svjatoëa, belegerden Svjatoëa in de stad en sloten vrede. En Svjatoëa verliet de stad en ging naar zijn vader in ‡ernigov. David nam Lu¹esk in en ging daarvandaan naar Vladimir; de stadhouder Vasil sloeg op de vlucht en David nam Vladimir in en vestigde zich daar. En voor het tweede jaar nodigden Svjatopolk, Vladimir, David en Oleg David Igorevi¹ uit en gaven hem niet Vladimir maar Dorogobuû, in welke stad hij ook stierf. Svjatopolk nam Vladimir in bezit en installeerde daar zijn zoon Jaroslav. In 6606 (1098) gingen Vladimir, David en Oleg naar Svjatopolk, hielden halt bij Gorodec en sloten vrede, zoals ik bij het voorgaande jaar verteld heb. In 6607 (1099) trok Svjatopolk op naar Vladimir voor een aanval op David en verjoeg hem naar Lechenland. In datzelfde jaar werden de Hongaren bij Peremyël’ verslagen. In hetzelfde jaar ook werd Mstislav, Svjatopolks zoon, in Vladimir gedood op de 12de juni.[51]
[1] Theodosios de Grote, die in de 6de eeuw het eerste cenobitische klooster stichtte in Palestina. [2] Deze drie steden behoorden tot het vorstendom Perejaslavl. [3] Valt volgens de Byzantijnse kalender op 14 november. [4] Devgenevi¹ was waarschijnlijk een soldaat die zich uitgaf voor Leon, zoon van Romanus IV Diogenes (1067-1071). Na ontmaskering werd hij gevangen gezet in Cherson. Hij stelde zich in verbinding met de Polovcen, die hem in 1992 bevrijdden. Onder zijn leiding vielen de Polovcen in 1995 Byzantium binnen en sloegen het beleg voor Adrianopolis. De Byzantijnse keizer Alexius I Comnenus (1081-1118) slaagde erin Devgenevi¹ met een list gevangen te laten nemen. Hierna bracht Alexius de Polovcen een vernietigende slag toe, waarbij 7000 Polovcen sneuvelden. Bron voor deze gebeurtenissen is Anna Comnena. [5] Een Turks volk dat in het midden van de 11e eeuw voor het eerst op de Zuid-Russische steppe opdook en zich later soms als bondgenoot van Rus’ opstelde. [6] Stad ten zuiden van Kiëv, gelegen aan de rivier de Ros’. [7] Waarschijnlijk wordt de stad Sakov bedoeld, gelegen ten zuiden van Kiëv op de oostoever van de Dnjepr. [8] Psalm 85, vers 14-17. Eerste deel van dit citaat is niet juist. [9] Verwijzing naar het werk “De Apocalyps van pseudo-Methodios van Patara”, dat dateert uit de 4e eeuw n.Chr. Het werk wordt ten onrechte toegeschreven aan Methodios, bisschop van Patara in Lykië in Klein Azië. Het beschrijft de geschiedenis vanaf Adam tot aan het einde van de wereld, dat verwacht wordt in het zevende millennium na de schepping. [10] De Chvalisen hadden hun woongebied aan de benedenloop van de Amudarja, zuidelijk van het Aralmeer. [11] Wolga-Bolgaren. Zij leefden aan de samenloop van de Wolga en de Kama. [12] In Rus’werden overledenen in een slede naar hun graf geleid. Vladimir verwijst hiermee naar zijn naderend einde. [13] Psalm 43, vers 5. [14] Psalm 37, verzen 8-17 en 22-26. [15]
Psalm 124, vers 2-4. [16]
Psalm 56, vers 1-2. [17]
Psalm 58, vers 11-12. [18]
Psalm 59, vers 1-3. [19]
Psalm 30, vers 5. [20]
Psalm 63, vers 4-5. [21]
Psalm 64, vers 3. [22]
Psalm 34, vers 2. [23]
Jesaja 1, 17-18. [24]
Psalm 8, vers 6. [25] Oost-Slavische volksstam, woonachtig in het stroomgebied van de Oka. [26] Zowel munt- als gewichtseenheid. [27] Stam van de Polovcen. [28] De feestdag van Boris Vladimirovi¹, gevierd op 24 juli, werd in het oude Rus’ als uiterst belangrijk beschouwd. Het was de eerste feestdag gewijd aan een Russische heilige. [29] Het betreft Vladimirs echtgenote Gita, dochter van Angelsaksische koning Garald. Zij stierf in 1107. [30] Bastaardzoon van Svjatopolk. [31] De brief is geschreven naar aanleiding van de dood van Vladimir Monomachs zoon Izjaslav. Deze kwam op 6 september 1096 om in een veldslag met de troepen van Oleg, die Murom wilde innemen. Oleg was een neef van Monomach. [32] Johannes 4:20. [33] Mattheus 6:15. [34] Psalm 133:1. [35] Het betreft Monomachs zoon Mstislav, die op dat moment in Suzdal’ verbleef. [36] Rostov viel onder de heerschappij van Monomach. Hij had het afgestaan aan Izjaslav. [37] Mstislav Vladimirovi¹ met zijn jongere broer Jurij (Dolgorukij). [38] Dat wil zeggen: is vorst over het hem toegewezen domein. [39] Hier wordt verwezen naar de overeenkomst die Monomach en Svjatopolk Izjaslavi¹ in 1096 sloten met David, de broer van Oleg. [40] Zeer hard, vuurvast materiaal. Van het Gr. sunkleiÜ: opsluiten, dichten. [41] De auteur van het nu volgende verhaal over de blindmaking van Vasilko is Vasilij, een gezant van Vladimir Monomach. Vasilij was ooggetuige van de door hem verhaalde gebeurtenissen. [42] Het betreft hier kennelijk de stiefmoeder van Vladimir Monomach. [43] De ikfiguur is hier Vasilij (zie noot 118). [44] Stad aan de rivier de Bug. [45] Lutsk in Volynië. [46] Deuteronomium 32:41 [47] Het huidige Brest(-Litovsk). [48] Koning van Hongarije (1095-1114). [49] Rivier in Galicië. Mondt uit in de San. [50] Vergadering van vrije burgers. [51] De onder dit jaar verhaalde gebeurtenissen zijn al beschreven onder het jaar 1097. |
|